Het Bloed van het Lam - Fan Box

zaterdag

Ten Duinen / Tekst: Patrick Bernauw - Muziek & Zang: Fernand Bernauw


Dit liedje maakt deel uit van het moordspel/stadsspel "De Blauwbaard Compagnie". Verneem alles over deze productie door een klik op de titel.

maandag

Horror Soundscapes

dinsdag

Marche-les-Dames

UIT EEN TRANSCRIPTIE VAN EEN VISIOEN VAN SALOMÉ DE SAINT-OMER (H. DE ROOSE):

De winter wil niet weten van wijken… Zeventien februari vierendertig en de winter wil niet weten van wijken. Bomen sterven staande, het land is dood en je vraagt je af of het nog ooit tot leven zal komen. De dag slaagt er niet in door te breken en de nacht valt te vroeg in februari. Je vraagt je af of het nog ooit lente zal worden. Of het altijd zo grijs en kil moet blijven. Of alles altijd grijs en kil zal blijven.
Ik zie de koning vertrekken zonder de koningin – zijn kamerknecht zit naast hem – en ik vraag mij af: ‘Waar is de koningin gebleven?’ Ik ga op zoek naar haar, ik loop door de gangen en kamers, door de galmende zalen van het paleis en ik vind de koningin in haar bed. Ze wordt weer geplaagd door haar lumbago.
Ik zie de koning vertrekken zonder de kroonprins – zijn kamerknecht zit naast hem – en ik vraag mij af: ‘Waar is de kroonprins gebleven?’
‘Hij verblijf in een ver land,’ zegt de koningin. ‘De toppen van de bergen van dit land zijn bedekt met de eeuwige sneeuw.’
De lucht is koud, maar droog. Ik vraag mij af of de mist nog ooit zal optrekken. De mist boven de bergen van de eeuwige sneeuw.
‘Ze noemen hem niet voor niets de Bergkoning,’ hoor ik mijn vader zeggen. ‘Er zal een Witte Dame op Geraards Berg verschijnen die hem van zijn troon stoot, terwijl zij schrijlings op een Oude Goed God zit en tegelijk copuleert met zijn zoon.’

UIT EEN INTERVIEW VAN SALOMÉ DE SAINT-OMER (AFGENOMEN DOOR L. GROENENDAAL):

SDSO Hoor je het ook, Lisa? Waar komt die muziek vandaan?
LG Muziek? Ik hoor niets… Hadewijch?
HDR Ze hoort er nu eenmaal altijd muziek bij… Zij alleen…
SDSO Het is net of ik muziek hoor… Geen dansmuziek, geen marsmuziek… Hoor je het ook?
HDR Nee juffrouw, Lisa hoort niets.
SDSO Zou dit Wagner kunnen zijn? Nee, het is Wagner niet. Geen Götterdämmerung vandaag. En toch herken ik de melodie. Herken jij de melodie dan niet, Hadewijch? Hoewel een dans vooral door het ritme bepaald wordt, natuurlijk… Dat stampende, dat stuwende ritme. Herken je die trage, die trillende klanken dan niet? Ik hou erg veel van muziek. Hou jij van dansen, Lisa? Het lichaam van de danseres moet als het ware het onluiken van het mysterie der natuur suggereren. Een dans brengt leven in een doods landschap. In oeroude tijden, dansend op primitieve muziek, brachten wij leven in een doods landschap… Ik ben er zeker van dat ik deze melodie eerder heb gehoord. Was het in Wenen? Was het Berlijn? Was het Londen, misschien? Ach, door het vele reizen worden alle plaatsen één. Ah, Paris qui s’éveille!... Waar zou het in godsnaam geweest kunnen zijn? Laten we zeggen: achtentwintig mei negentienhonderd dertien. Stravinsky. Laten we zeggen: Igor Stravinsky. Le Sacre du Printemps.
(…)
Ik zou het echt niet meer weten.
(…)
Memoires… Ik zou ze moeten verzinnen. Te veel steden gezien, te veel gezichten. Ze zijn allen één geworden. Een verhaal dat steeds opnieuw wordt verteld. De regisseur heeft het decor aangepast en de oude acteurs vervangen door nieuwe. Maar het stuk is onveranderd. Je kunt hooguit op zoek gaan naar de auteur. Hij is het enige raadselachtige personage in de hele geschiedenis.
(…)
Je zou mijn memoires moeten schrijven, Hadewijch. Want ik kan het niet meer. Mijn handen al te zeer en mijn herinneringen… vervangen…
(…)
Maar zie mij nu bezig. Dit is onzin. Begrijpelijk, dàt wel. Maar onzin. Begrijpelijke onzin, dàt wel. Je probeert de angst weg te dansen. De angst voor een nieuwe tijd, als de oude hemel en de oude aarde opgehouden hebben te bestaan. Je beseft maar al te goed wat er te gebeuren staat. Hij is zopas vertrokken en er is geen terugkeer mogelijk. Rechtstreeks naar de Oude Goede God is hij gegaan. Hij is vrij tot acht uur – dan moet hij in het Sportpaleis een trofee overhandigen aan de winnaar van een wedstrijd. Het is een rustige en ontspannende dag geweest en dat hoort zo te blijven. Hij zal daar alleen zijn… Met hààr. Waar de rivier omzoomd wordt door steile rotswanden met spitse toppen. l’Inaccessible, le Vieux Bon Dieu. Ze zijn niet hoog, maar wel moeilijk te beklimmen. Voor een doorgewinterd alpinist vormen ze een aantrekkelijk oefenterrein.
(…)
Op een stralende zomerdag moest hij eens een plechtigheid bijwonen. ‘Het is mooi weer,’ zei hij. ‘Er zullen wel niet veel mensen komen.’ Maar er kwamen wél veel mensen. Erg veel. En ze juichten hem geestdriftig toe. ‘Och,’ zei hij toen, ‘als men mij naar het schavot had geleid, zouden er net zoveel mensen op af gekomen zijn.’ Hij was niet voor niets de koning-soldaat. Dat soort volk sterft niet in bed.
(…)
Daar heb je Stravinsky weer. Le Sacre du Printemps. De première ontketende bijna een opstand in de schouwburg.
‘Muzikale anarchie,’ zeiden ze. Weg met harmonie, melodie en structuur!
‘Het werk van een ketter,’ zeiden ze, ‘die de muziek als kunstvorm wil vernietigen!’
En wat zei het publiek? Het publiek zei niets.
Het brulde uitdagend. Het floot op de vingers. Het lachte honend.
Een jongeman was zo opgewonden dat hij ritmisch begon in te beuken op een man die voor hem zat en Saint-Saëns verliet verontwaardigd de zaal.
Ravel schreeuwde: ‘Geniaal!’
Nijinski sloeg het ritme met zijn vuisten, want door het rumoer konden de dansers de muziek niet meer horen: ‘Ras! Dwa! Tri!’
Hij had de choreografie verzorgd en stond in de coulissen en brulde wanhopig: ‘Ras! Dwa! Tri!’

UIT EEN TRANSCRIPTIE VAN EEN VISIOEN VAN SALOMÉ DE SAINT-OMER (H. DE ROOSE):

En daarna, in volle zomer… de kanonnen van augustus! De verwoeste gewesten! Mijn vader wist dat ze al hun duivels zouden ontketenen in augustus! Hij had het opgeschreven in een profetie en ik ben zo bang! Ik ben zo bang dat wat vooraf geweten wordt en opgeschreven… Hebben wij te maken met een toekomstvoorspelling of met een toekomstplan? Ik ben zo bang dat de toekomst niet zomaar zijn gang gaat, maar dat wij de dingen die we hebben voorzien, verzonnen of opgeschreven – omdàt we ze hebben voorzien, verzonnen of opgeschreven – doén gebeuren. Zélf… dóén… gebeuren!...
‘Voorwaar, ik zeg u: één van u zal mij verraden. Die is het, voor wie ik het stuk brood indoop en wie ik het geef!’
En waar komt toch die muziek vandaan? Ze hebben hem gewaarschuwd, maar toch is hij vertrokken. Het is vier uur en de nacht valt vroeg in februari.

‘Je weet wat je te doen staat,’ zegt mijn vader. ‘Je kunt niet anders. Ieder speelt zijn rol, ieder krijgt zijn deel. Dertig zilverlingen. Opdat de Schriften van de profeten in vervulling zouden gaan. De verrader en de held. Judas Iskariot, Jezus Christus. Zonder verrader geen held. Wat zou Jezus geweest zijn zonder Judas? Zeg mij, wie is de wàre verrader? Wie is de wérkelijke held?’
In mijn droom zie ik hoe hij zijn wagen parkeert op een veldweg – zijn zwarte Ford cabriolet. Hoe hij lenig uit de wagen springt – mannelijk, koen, ridderlijk.
Hij eet iets in de herberg waar hij gewoonlijk komt, hij zal nog net de tijd hebben om haar te nemen…
l’Inaccessible.
‘Ik blijf maar een uurtje weg,’ zegt hij tot zijn kamerknecht. ‘Want de avond valt vroeg in februari en er zijn maar twee wegen – een moeilijke en een gemakkelijke. Als het te lastig wordt, neem ik de snelle route! Mon Vieux Bon Dieu!’
Hij neemt zijn touwen mee, zijn alpenstok. Hij zal zich om vijf uur opnieuw bij zijn kamerknecht voegen die op hem moet wachten, op de afgesproken plek, in de wagen, in de zwarte Ford cabriolet.
En de knecht wacht. En de Witte Dame wacht. En hij wacht op de Witte Dame. Want wachten wij niet allen op verlossing?
‘En daar verschijnt ze dan,’ fluistert mijn vader. ‘Ze is zo wit tegen het zwart van de nacht, mijn Witte Dame. Dans voor hem, mijn lieve Maagd van Geraards Berg. Stenig hem, mijn kleine Salomé.’
En een steen laat de rots los en sleurt hem mee in zijn val. Ik zie hem de wand van de rots raken en de helling afrollen. Daar gaat zijn pet, daar volgt zijn bril, daar ligt zijn rugzak al.
En de knecht wordt ongerust belt het paleis. En men komt de Bergkoning zoeken. En men vindt hem aan de voet van de Schedelberg, op de rug, de ogen open, star op de sterren van de hemel gericht.
‘En zo zal het dan volbracht zijn,’ fluistert mijn vader.
***
Time Magazine schreef dat er meer klokkentorens waren in België dan in welk ander land ook in Europa, en dat de volgende ochtend in ieder dorp, in elke stad de zwaarste klokken in alle torens gingen luiden. De laatste keer dat ze zo klonken, was in 1914 geweest. Nu luidden ze niet om het begin van de volgende oorlog aan te kondigen, maar het overlijden van een van de grootste helden van de vorige.
Albert, koning van de Belgen, was dood.

Salomé droomde dat men de koningin pas bij het aanbreken van de dag op de hoogte zou brengen van het nieuws: ‘Vreeswekkend was het. Toen zij vernam dat hij reeds was afgelegd, ontstak zij in woede. Zoveel stervenden had zij gezien, zoveel soldaten de laatste zorgen geschonken. Ze begreep niet waarom men haar verhinderde bij de soldaat die haar het dierbaarste was hetzelfde te doen. En zij plukte lelies en strooide ze op zijn doodsbed.’

Time Magazine beschreef hoe de koning opgebaard lag in het kasteel van Laken, in zijn eigen eenvoudige slaapkamer. Een wit verband was rond zijn hoofd gewikkeld en hij droeg zijn olijfkleurige generaalsuniform. Op zijn borst lag het purperen lint van Grootmeester van de Leopoldsorde. In zijn handen hield hij een ivoren kruisbeeld. Het rozenhouten bed was overdekt met witte lelies. Twee gele kaarsen brandden aan zijn voeten, twee nonnen zaten in hun zwarte habijten te bidden aan zijn hoofd. Op het nachtkistje tikte zijn klok de seconden weg.
Albert van België was een Duitse prins die huwde met een Duitse prinses. Op 31 juli 1914 verwierp hij de eis van zijn koninklijke neef Wilhelm II om Duitse troepen over Belgisch grondgebied vrije doorgang naar Frankrijk te geven, en wat daarna gebeurde, was geschiedenis. De hele wereld bewonderde hem als een van de grote helden van de twintigste eeuw. Hij was groot en knap en de enige Europese koning die persoonlijk het bevel op zich had genomen van zijn troepen en met hen in de loopgraven had gevochten.
‘Ik luisterde naar de generaals,’ zei hij ooit tot de Franse maarschalk Joffre. ‘Het was een zware verantwoordelijkheid te moeten kiezen tussen hun verschillende plannen, dus koos ik er het plan uit dat me het verstandigste leek.’
Met zijn eigen handen schoot hij een chauffeur neer die hem had verraden en hem probeerde te ontvoeren naar de Duitse linies. Toen zijn eigen zoon Leopold dertien jaar was geworden, deed hij hem als soldaat dienst nemen in het leger, opdat hij aan den lijve zou voelen hoe zwaar de taak van een koning was.
Na de oorlog werd hij beroemd vanwege zijn eenvoudige levenswandel. Hij nam de bus zoals iedereen en als hij zijn geliefde sport uitoefende, het bergbeklimmen, deelde hij zijn sandwiches met de gidsen.

Twee dagen lang kreeg het volk de tijd om het stoffelijk overschot van zijn koning de laatste eer te bewijzen. De ontroering was immens, urenlang diende men aan te schuiven in kilometerslange files.
Salomé droomde over de dag van zijn begrafenis. En dat het ijskoud was. En somber.
‘Voor het paleis plaatste men de kist op een affuit. Rondom de dode koning stonden de leden van zijn staf. Daarachter defileerden zijn soldaten – en het waren niet de soldaten uit het huidige leger, maar die van de Grote Oorlog. Het waren de ouwe trouwe metgezellen van de afgestorvene, met hun oude vlaggen en hun oude medailles op hun oude burgerkleren.’
Zevenenzeventigduizend waren er. En ze marcheerden zonder enig bevel in de pas, zonder muziek. En ze namen afscheid van hun koning en van hun jeugd en van hun roemrijk tijdperk toen eer en glorie nog de plaats innamen van passief genot.
Niet zonder angst stelden zij vast dat hun tijd voorbij was, dat zij rijpe mannen geworden waren.
‘Werklieden. Notarissen. Handelaars. Ambtenaren.’
Misschien zouden zij nu voor de laatste keer zo samen zijn met z’n allen en schouder aan schouder staan, precies zoals toen in de loopgraven.
‘En zij zochten steun bij elkaar en zo stond de hele dag in het teken van de herinnering en de droefenis. En de kerkdienst verliep in eenzelfde atmosfeer van ontroering en verbondenheid.’

De kranten en de radio brachten verslag uit over de begrafenis. Hoe de rouwstoet iets voor elf
uur het koninklijk paleis verliet onder het gelui van de doodsklokken van de Sint Jacob-op-de-Koudenbergkerk. Dat de koorden van de doodskist, die op een kanonaffuit was geplaatst, door vier regeringsleden en vier generaals werden vastgehouden. Hoe de menigte langs de weg de tranen niet langer kon bedwingen bij het zien van ’s konings lievelingspaard, dat met gebogen hoofd het leed van een heel volk deelde.
Winkeletalages werden uitkijkposten, de spoorwegbrug over het kanaal veranderde in een tribune. De mensen hingen in de bomen, aan straatlantaarns, uit de ramen; ze zaten op de daken van de gebouwen, op auto’s en trams en klampten zich vast aan kranen; ze vielen flauw van honger, emotie of vermoeidheid. Politieagenten werden onder de voet gelopen, rijkswachters te paard moesten verscheidene keren tussenbeide komen. Er waren meer dan 1500 bloemstukken en rouwkransen afgeleverd en langs het parcours waren naar schatting 400 fotografen en evenveel journalisten aanwezig.
Op het kerkplein voor Sint-Goedele kon het publiek de rouwdienst volgen, die werd opgedragen door kardinaal Van Roey in aanwezigheid van alle gekroonde hoofden van Europa. Een groep Franse bergbeklimmers had toen al de Belgische en de Franse driekleur, getooid met een rouwband, op de top van de Pic Albert I doen wapperen, die de vallei van Chamonix beheerste. Aan de voet van de Cima Brenta Alta zou nog in 1934 een gedenkplaat onthuld worden, en in Brazilië – aan de top van de Maria Comprida – werd er een andere vastgeklonken. Op het strand van Copacabana herinnerde een klein standbeeld aan de grote koning die hier elke ochtend kwam baden tijdens zijn verblijf in Rio de Janeiro in 1920. Het Belgische hof stelde een rouwperiode van zes maanden in, er waren officiële rouwperiodes van twee weken tot een maand in Nederland, Groot-Brittannië, Frankrijk, Denemarken, Noorwegen, Albanië, Italië, Roemenië, Japan en Brazilië. Op de dag van de begrafenis gingen alle Franse schouwburgen dicht. Ook het Duitse leger bood zijn condoleances aan en in Berlijn werd een plechtigheid gehouden in aanwezigheid van Hermann Göring, gekleed als generaal van de infanterie.

En terwijl zij aten, nam hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: ‘Neemt, dit is mijn lichaam.’ En hij nam een beker, sprak de dankzegging uit, en gaf hun die, en zij dronken allen daaruit. En hij zeide tot hen: ‘Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt.’

Salomé fluisterde: ‘En ik droomde dat zo het aardse bestaan moest eindigen van de moedigste man van zijn generatie. En ik hoorde mijn vader iets zeggen over Gods Voorzienigheid die de koning tot het slacht-offer bestemt, dat de zonden van de wereld wegneemt en alles nieuw maakt. En dat de aarde weer jong zou worden, en vruchtbaar. En dat hij een maagd had gezien die danste op leven en dood. En dat alleen haar offerdood – of die van een godgelijke koning – de kringloop kon waarborgen en het groeien en bloeien van mens, dier en gewas. “Laat hun bloed de dorre grond tot leven wekken en dans, Salomé, dans! Is het niet alles een kwestie van evenwicht? Luister dan… Luister naar de oudste ritmen van het leven op deze aarde en bewonder je kracht, je hartstochtelijke overgave. Steeds opzwepender werkt je lichaam toe naar een laaiend hoogtepunt dat het nieuwe tijdperk doet aanbreken. Hoc est corpus meum! Le roi est mort! Vive le roi! En dans, Salomé! Dans!”’

Time Magazine schreef dat in de meeste landen de soeverein nooit stierf. Edward van Wales zou de koning van Engeland zijn op het moment dat de dood van koning George bekend werd. Maar Albert was koning van de Belgen, niet van België, en de Belgen zouden geen koning hebben tot op het ogenblik dat de nieuwe vorst trouw aan de Grondwet had gezworen. En deze ceremonie werd uitgesteld tot na de begrafenis van Albert.
Zeven dagen lang hadden de Belgen geen koning, maar konden ze zich verheugen in hun toekomstige koning. Net als zijn vader had kroonprins Leopold een harde leerschool doorlopen. Net als zijn vader hield hij van machines en bestuurde hij zijn eigen wagen. Maar zijn hobby’s waren veiliger: vissen op forel en vlinders verzamelen.
In 1926 was hij getrouwd met de donkerharige prinses Astrid van Zweden, na een romance die de schrijvers van damesromans hartkloppingen had bezorgd. Om niet op te vallen reisde de prins al eens in een derdeklas treincoupé en droeg hij zelf zijn valiezen. De mensen dachten dat hij de nieuwe butler was. Brusselse huisvrouwen herinnerden zich nog hoe prinses Astrid, nadat hun dochter Charlotte was geboren, ook zelf haar kinderwagen duwde op de schaduwrijke Avenue Louise.
Hij was nog geen drieëndertig, deze prins die de jongste koning van Europa zou zijn, toen hij in zijn bleekgrijs fluwelen pak, vanuit Zwitserland en na een nacht lang rijden, eindelijk Brussel bereikte. Hij werd er al meteen geconfronteerd met ernstige problemen. De communisten dreigden met een algemene staking en de Vlaamse separatisten werden steeds luidruchtiger en leunden ook steeds sterker aan bij het nazisme. De Belgische verdedigingswerken konden een vergelijking met de gloednieuwe Franse linies van staal en beton niet doorstaan, maar al wat de jonge Leopold de afgelopen week kon horen was het geluid van de kanonnen, die om het half uur werden afgevuurd, in rouw om de dood van zijn vader.

woensdag

De Ballade van Heer Halewijn

Jean-François De Saint-Omer hield op maandag 29 mei 1933, naar aanleiding van de twintigste verjaardag van Le Sacre du Printemps, en voor een uiterst select publiek, een lezing in zijn huis in Geraardsbergen.
Onder de toehoorders bevond zich de literator en stadsontvanger van Ninove, Paul De Mont, een vrijwilliger van de Grote Oorlog die aan het front bij Diksmuide zijn beide benen verloor. ‘De dokters vreesden dat ik gek zou worden,’ had hij ooit gezegd, ‘maar in plaats daarvan ben ik toneelschrijver geworden.’ Zijn oom en literair mentor, de flamingantische dichter Pol de Mont, was een paar jaar eerder overleden in Berlijn en had enkele belangrijke stukken gewijd aan De Ballade van Heer Halewijn, onder meer in het gezaghebbende blad Haagsche Stemmen (1891). Zelf had Paul De Mont sinds 1923 een aantal vermeldenswaardige toneelstukken geschreven, zoals het realistische familiedrama De Spelbreker, of het expressionistische satirische epos Reinaert de Vos.
Paul De Mont was in het gezelschap van Léon Degrelle, de jongeman die in Bouillon was geboren als zoon van een welgestelde brouwer en net was afgestudeerd aan de universiteit van Leuven, waar zijn energieke verschijning en journalistiek talent de aandacht hadden getrokken van monseigneur Picard. Als hoofd van de Assocation Catholique de la Jeunesse Belge vroeg Picard de jonge Degrelle om de leiding over te nemen van de kleine katholieke uitgeverij Christus Rex. Vol overgave wierp Degrelle zich op zijn werk als uitgever en bracht hij allerlei populaire katholieke bladen en magazines op de markt. Hij trok jonge mensen aan van op de universiteit, die zijn militant katholiek geloof deelden en dweepte met de fascisten van Mussolini en de nationaal-socialisten van Hitler.
De lezing van Jean-François de Saint-Omer startte met een wonder en geheimzinnig lied dat gezongen werd door een meisje met schuwe ogen en ontluikende borstjes. Het was de dochter van Jean-François en ze zong de dieptreurige ballade traag en slepend, eentonig en plechtig. En omdat haar naam Salomé was, deed ze er wat aarzelende, gebrekkig hinkende danspasjes bij:


Heer Halewijn zong een liedje klein
en al die dat hoorde wou bij hem zijn.
Dat vernam een koningskind,
die was zo schoon en zo bemind.

Zij ging voor haar vader staan:
‘Vader, mag ik naar Halewijn gaan?’
‘Nee, dochter! Nee, gij niet!
Die daar gaan, die keren niet!’

Zij zette zich schrijlings op ’n ros,
zingend en klingend reed zij door ’t bos.
Toen zij halverwege ’t bos mocht zijn:
daar zag zij Heer Halewijn.

‘Gegroet,’ zei hij, en kwam tot haar.
‘Gegroet, schoon maagd, bruin ogen klaar!
Vermits gij de schoonste maagd zijt,
kiest dan uw dood, het is nog tijd!’

‘Wel als ik dan mijn dood kiezen zal,
dan kies ik nog voor het zwaard bovenal.
Maar trek eerst uit uw opperkleed,
want maagdenbloed dat spreidt zo breed.’

Maar eer zijn kleed getogen was,
zijn hoofd lag voor zijn voeten ras.
Zij nam het hoofd bij het haar
en waste het in een bron zo klaar.

Toen zij aan haar vaders poorten kwam,
blies zij de hoorn als een man.
Er werd gehouden een banket.
Het hoofd werd op tafel gezet.

Dames en heren,

In 1848 verscheen de eerste gedrukte versie van Heer Halewijns noodlottige ontmoeting met de bloedmooie koningsdochter in de bundel Oude Vlaemsche liederen van Jan Frans Willems. Klassieke interpretaties van het lied gaan ervan uit dat Halewijn land en volk aantast in hun vruchtbaarheid: de vrouw. En dus zal ook de vrouw, een koningsdochter, het land van Halewijn verlossen. Haar daad heeft het sacrale karakter van een offer. Tegelijk beseft de koningsdochter dat ze de toverkracht van Halewijn kan breken en het monster onschadelijk maken met zijn eigen wapens. Niet Halewijn zal haar lokken, zij zal hem lokken. Zingend rijdt ze dan ook door het bos. En wanneer ze in haar opzet slaagt, keert ze met zijn hoofd als trofee terug naar huis.
Sir James George Frazer leert ons in zijn onovertroffen meesterwerk De Gouden Twijg dat dit verhaal zowel een Germaanse als een Keltische oorsprong heeft. Het blazen op de hoorn heeft voor de Germanen bijvoorbeeld de mystieke betekenis van de levenskring: wat vergaan is in de dood, wordt tot nieuw leven gewekt. De hoorn kan geassocieerd worden met de ‘midwinterhoorn’, waarop – naar een oud volksgebruik – gedurende de vier weken voor Kerstmis wordt geblazen. Het meenemen van het hoofd lijkt dan weer op een Keltische invloed te wijzen, aangezien de Kelten worden beschouwd als koppensnellers, voor wie het bezit van iemands hoofd gelijk staat aan het bezit van zijn krachten en talenten. Daarom moet het een ereplaats krijgen aan de feesttafel – al kan dit ook een latere toevoeging zijn die te maken heeft met de trieste geschiedenis van Johannes De Doper. U weet wel, de verderfelijke Salomé zal zijn hoofd eisen van Herodes, in ruil voor haar dans.

Dames en heren,

Ik heb er het werk van de Oostenrijkse zenuwarts Sigmund Freud op nageslagen. Voor hem is het hoofd van Halewijn een substituut van de fallus en bezit de anonieme maagd een ‘vagina dentata’, oftewel: ‘een getande vagina’. Na de paringsdaad moet zij, net als zekere spinnensoorten, de geliefde verslinden. In oeroude tijden was de straf voor incest castratie; in sommige varianten van het verhaal is Halewijn dan ook de broer of de natuurlijke vader van het meisje.
Vorige keer heb ik u het voorspellende visioen geschetst dat mij te beurt is gevallen tijdens de première van Le Sacre du Printemps. Ik hoef u dus niet meer te vertellen dat de Grote Oorlog die wij meemaakten in deze profetie werd aangekondigd en dat het de eerste van drie was – ‘Ras! Dwa! Tri!’ huilde Nijinski! – waarmee telkens een Nieuwe Wereldorde tot stand kwam. Het visioen waarover wij het vorige keer hadden, ging vergezeld van het Credo waarop mijn grootmoeder zo vaak de Ballade van Heer Halewijn heeft gezongen – dit lied over een archaïsche zanger van lokkende toverliederen. Vrouwen vallen willoos neer aan de voeten van deze dolgedraaide don Juan, die de bezweringsformule van de kunst hanteert om een tijdelijke bevrediging te verwerven. Na een kort maar ongemeen heftig liefdesspel worden zij gedood, behalve dit ene meisje dan, deze maagd die – hoe minnedriftig ook – voor de rest vrijwel normaal mag worden genoemd.
‘Welke diepere betekenis gaat hierin schuil?’ zult u mij vragen. Welnu, dames en heren, wij moeten beseffen dat een profetie als deze die mij te beurt is gevallen, ons bereikt in een codetaal die op twee niveaus moet worden begrepen: enerzijds dient zij beluisterd te worden met de oren van de dag en van de ratio, anderzijds met de oren van de nacht en van de droom, die allerlei toespelingen voor ons verbergt. Pas wanneer alle analogieën zijn ontdekt, alle associaties uitgeput, zullen wij erin slagen dit visioen volledig te interpreteren en ten volle te doorgronden.

En er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Tweede zijn
als bij Geraards Berg
de Maagd verschijnt.

De tijd is rijp voor een Nieuwe Wereldorde, die de continuïteit van het leven op deze aarde moet waarborgen en door een Tweede Grote Oorlog zal worden ingeluid…
Ik zie, mijnheer De Mont, dat deze woorden niet stroken met uw pacifistische overtuiging. Het zij zo.
En u, mijnheer Degrelle, vraagt zich af of het startschot van deze Tweede Grote Oorlog dan werkelijk in Geraardsbergen moet weerklinken, waar mijn grootmoeder werd geboren die mij als kind zo vaak het sprookje van Heer Halewijn heeft voorgezongen op de tonen van het Credo… En ik zeg u: jazeker meneer Degrelle, zal het startschot in Geraardsbergen gegeven worden. Want een profetie en het toeval gaan nu eenmaal nooit samen, hoe ongelooflijk dit alles soms ook lijken mag. De goden dobbelen immers niet!

Dames en heren,

Halewijn moest op een rituele wijze gedood worden, opdat zijn vergoten bloed nieuw leven zou scheppen. Zijn hoofd werd tijdens het banket op de ereplaats gezet; zijn lichaam werd op die manier een offergave, zijn onthoofding een vruchtbaarheidsritueel. In bepaalde prozaversies doet het bloed uit zijn wonden zelfs het dorre woud herleven, of zijn het de ledematen van een god die door de maagd worden geofferd. Sir James George Frazer heeft het in dat verband over het Osiris-thema: de rituele moord brengt een reorganisatie van de wereld tot stand. Chaos wordt kosmos, een nieuwe wereld groeit uit de restanten van de oude.
De cultus rond Osiris, die door de Grieken werd geassocieerd met hun god Dionysus, kwam pas in de vierde eeuw na Christus onder invloed van het christendom tot verval. Tegen deze Egyptische koning werd door zijn broer Seth een moord beraamd. Toen hij van een wereldreis terugkeerde, nam Seth in het geheim de maten van Osiris’ lichaam en liet hij een kist vervaardigen die exact beantwoordde aan deze afmetingen. Tijdens een banket schonk Seth de kist aan de gast wie ze het best zou passen. Osiris stapte in de kist, Seth sloeg ze dicht en liet ze vlak bij Memphis in de Nijl gooien. De kist spoelde aan op het strand van Byblos, waar ze na een lange queeste door Osiris’ gemalin Isis werd opgespoord en gerepatrieerd. Seth hakte ze prompt in stukken, die hij over het hele land verspreidde. Geduldig zocht Isis de lichaamsdelen van haar echtgenoot bij elkaar en begroef ze stuk voor stuk – behalve de fallus, die ze nergens kon vinden. Sommigen beweren dat zij de dode Osiris opnieuw tot leven wekte door middel van magische incantaties; anderen houden het erbij dat Osiris op eigen kracht opstond uit de onderwereld om Seth te straffen. Sindsdien werd de voormalige koning vereerd als de Heer van het Westen, het rijk van de dood, de onderwereld.
De castratie en de incestueuze relatie van Osiris met Isis, die tegelijk zijn zuster en zijn echtgenote was, keren duidelijk terug in de ballade van Heer Halewijn – ook een Heer van het Westen. Belangwekkend hierbij is, dat de verering van Isis en Osiris in het oude Egypte werd geassocieerd met de jaarlijks terugkerende overstromingen van de Nijl, die het land telkens weer ‘vernieuwden’. De aanbidders van Osiris zochten in zijn verschijning trouwens ook een belofte voor hun eigen verrijzenis uit de dood, en dus voor het eeuwig leven.
De lectuur van The Golden Bough leert ons, dames en heren, dat er een duidelijke parallel bestaat tussen de mythe van Osiris en die van Orfeus – net als Heer Halewijn een archaïsche zanger van lokkende toverliederen. De mooie Euridike maakt hem zielsgelukkig… tot zij sterft aan een adderbeet. Treurend daalt de zanger af in de onderwereld, om Hades te smeken hem zijn geliefde terug te geven. Ontroerd door zijn muziek stemt Hades toe, op voorwaarde dat Orfeus onderweg nooit achterom zal kijken. Overmand door twijfel kijkt de zanger toch om… en verliest Euridike voorgoed.
Drie jaar later zit hij nog steeds eenzaam op een heuvel, omringd door de eveneens rouwende dieren uit het woud. Ook de bacchanten horen zijn treurzang. In woeste opwinding vieren zij het feest van Bacchus. Ze haten de minnezanger verschrikkelijk, omdat hij sinds de dood van Euridike van geen liefde meer wil weten. Maar wanneer ze hem bekogelen met stenen, dwingt hij de projectielen door de kracht van zijn lied aan zijn voeten neer te vallen. Hierop overkrijsen zij de muziek, zodat ze er uiteindelijk in slagen hem te stenigen.
De nimfen nemen zijn verminkte ledematen op om ze te begraven. Zijn hoofd en zijn lier worden door de rivier Hebros en de zee naar het strand van Lesbos gevoerd, waar ze een laatste rustplaats vinden. Ondertussen zweeft Orfeus’ ziel omlaag naar het schimmenrijk, waar hij zijn geliefde Euridike eindelijk mag weerzien. Voortaan zullen ze nooit meer gescheiden worden.

Dames en heren,

Krijgt u zo stilaan het gevoel dat alles eindelijk in zijn plooi begint te vallen? Sir James Frazer en The Golden Bough, Le Sacre du Printemps en het visioen dat mij werd geschonken, het Credo, de ballade van Heer Halewijn… Het zijn allemaal stukjes van dezelfde puzzel, het is chaos die wij tot kosmos moeten maken! Ziet u al hoe zich een patroon aftekent? Begint u het verband tussen deze schijnbaar disparate elementen te ontwaren? Laten de scherven zich al aan elkander lijmen tot één groot betekenisvol geheel?
Of zal ik u nog een zetje geven?
Welnu… Orfeus, moet u weten, heeft zijn naam ook geleend aan het orfisme, een vrij gesofisticeerde cultus die stelt dat de mens een onsterfelijke, immateriële ziel bezit, gevangen in een materieel lichaam. De enige ware bestemming van de ziel ligt in een terugkeer naar de goddelijke oorsprong, die we pas kunnen bereiken als de ziel zich bewust wordt van haar ware natuur. Een strakke discipline dient de ziel bijgevolg te bevrijden uit haar gevangenis. Een bekend orfisch gezegde luidt dan ook: ‘Het lichaam, een tombe.’
Vanaf de zesde eeuw voor Christus ontwikkelden de orfische mystici een doctrine waarin een positieve visie gegeven werd op de onsterfelijkheid. Het rijk van de dood werd niet langer bewoond door beklagenswaardige schimmen, integendeel: de Elyzeese Velden waren vervuld van een heldere schittering, omdat zij een rustplaats vormden voor de pure geesten, die het genot mochten smaken van een eeuwig geluk. De doden werden niet meer omlaag gesleurd, een duistere onderwereld in, maar stegen omhoog, de ogen op de hemel gericht.
Ziet u, dames en heren? Wat mij is overkomen in ‘de Elyzeese Velden’ – hoe mijn immateriële ziel werd bevrijd uit haar tombe en opsteeg om in die andere dimensie, met dat transcendente bewustzijn, met de ogen en de oren van de nacht de Geschiedenis te zien… Het was een Goddelijke Boodschap die tot mij kwam en ik werd Mozes die de Stenen Tafelen van de Wet mocht ontvangen… Mij werden de Tekenen getoond die het verdwijnen van de Oude Wereld en het verschijnen van een Nieuwe Wereld aankondigen. Ik heb gezien, dames en heren, welke voorwaarden vervuld moeten worden en welke stappen dienen genomen om een Nieuwe Wereld te bouwen op de puinen van de Oude…
Uiteraard is deze oeroude occulte kennis alleen voor de ingewijden weggelegd, dames en heren. Voor de Geïllumineerden. Maar wat houdt u tegen om uw pad, even goed als het mijne, door deze mystieke wetenschap te laten verlichten? Laat mij uw gids zijn op onze weg door de geschiedenis, dames en heren, en wij zullen de wereld in onze hand houden!
Het orfisme, moet u weten, is slechts één van de vele mysterie-erediensten die ongeveer op hetzelfde tijdstip de kop opstaken. Osiris die werd verscheurd en weer tot leven gewekt, de god Mithra die – bij de Perzen, Indiërs, Romeinen en Grieken – een stier offerde om de mensen te scheppen, Apollo of Dionysus die als zoon van Zeus op aarde waren afgedaald, geleden hadden, gestorven en weer verrezen waren…

Dames en heren!

De breuk van het orfisme met de oudere godsdiensten werd onder meer veroorzaakt door de nieuwe betekenis die de mysteriecultus gaf aan ‘het offer’. Waar het er voordien haast uitsluitend om te doen was geweest een hongerige of toornige god te voeden om bij hem in het gevlij te komen, ging het nu veeleer om een herstel van het goddelijke door de godheid zelf, die zich aan de dood had overgegeven. Het enige doel van die overgave was, van binnenuit de dood uit te hollen en ten slotte te doden. Zo zorgden de goden van het orfisme – Osiris, Mithra, Apollo, Dionysus, Orfeus – voor de onsterfelijkheid van hun volgelingen, op voorwaarde dat zij tijdens hun leven de rituele dood aanvaardden en er wezenlijk de zin van begrepen.
Een tweede breuk lag in het feit dat de mysterieculten een credo bezaten in de christelijke zin van het woord: zij geloofden dat er bepaalde mysteriën bestonden, die slechts geopenbaard konden worden aan degenen die door speciale ceremoniën ingewijd waren in een intieme kring van discipelen. De ingewijden vormden een gesloten, bijna geheime gemeenschap.
Le Sacre du Printemps is een dergelijke ceremonie geweest, dames en heren. Misschien hebben de participanten het op dat moment niet beseft, ikzelf heb er toen ook niet het flauwste benul van gehad – maar het is een feit dat mij daar in dat Theater van de Elyzeese Velden, gedurende de opvoering van het Lenteritueel, een mysterie werd geopenbaard dat ik pas nu min of meer begin te doorgronden.
De cultus van Osiris, Mithra of Orfeus heeft, grotendeels vanuit het oosten, in de loop van de late republiek en het vroege keizerrijk Rome bereikt. De ingewijden werd een beter leven in het hiernamaals beloofd, zodat vooral de arme en onderdrukte elementen in de Romeinse samenleving werden aangesproken. Vanaf de Gallische Oorlogen van Caesar tot het doopsel van de Frankische koning Clovis, op Kerstdag 496, vormden de Lage Landen een religieus slagveld waarop verschillende systemen, secten en culten met elkaar geconfronteerd werden. Tijdens de Romeinse overheersing deden missionarissen hun uiterste best, maar wat zij met zoveel geduld hadden opgebouwd, werd vernietigd door de invallen van de Germanen. Pas in de achtste eeuw leek het pleit definitief ten gunste van het christendom beslecht. Daarmee waren de ‘heidense afgoden’ echter nog lang niet vergeten…
Orfeus was een van de belangrijkste figuren geworden in het oosterse pantheon van de Romeinen, praktisch de gelijke van Mithra. Het mithraïsme was de voornaamste tegenstander van het jonge christendom en zou vooral in het zuidelijk deel van het huidige Frankrijk ingang vinden, terwijl Orfeus en het orfisme de bovenhand haalden bij de Romeinse legioenen van het noorden. Tussen de ijzige dood van de Scandinavische goden en de zegevierende dood van Jezus Christus kwam op die manier het orfische geloof in een heiland te staan, die in duisternis of in licht was gehuld, naargelang hij afdaalde in het dodenrijk of uit zijn eigen graf herrees.
Tijdens de vierhonderd jaar durende Romeinse overheersing namen de Galliërs uit het noorden schijnbaar zonder al te veel strubbelingen de beschaving en de zeden van hun overwinnaars over. De autochtone kunst ontleende zelfs heel wat van haar thema’s aan Rome: hier een kleine staande Apollo die een lier in de handen houdt (als het tenminste niet Orfeus is), daar een Mercurius met zijn staf en zijn vleugels, een Diana, een Minerva, een Hercules.
Toen het christendom de Romeinse goden had onttroond, slaagde het er niet meteen in de bijzondere cultusvormen te doen verdwijnen. Later vond men deze praktisch ongewijzigd terug bij bepaalde broederschappen, die met zorg aan het oog onttrokken werden. Zeven eeuwen waren er nodig geweest om ons volk te kerstenen en tot in deze twintigste eeuw zal het christelijk geloof vermengd blijven met overtuigingen die men niet al te haastig als bijgeloof mag bestempelen.
Heidense praktijken werden echter niet alleen verboden, soms werden ze ook doodgewoon geannexeerd. In zekere gevallen werden nog levende oude godheden zelfs als het ware ‘geperverteerd’ in een van de talloze nieuwe duivels en demonen. Iets dergelijks is Mithra en Orfeus te beurt gevallen.

Dames en heren…

Is het een toeval dat de ballade van Heer Halewijn, dit visioen van barbaarse, in geen schoolhandleiding beschreven zeden, precies op de naar een primitieve melopee zwemende melodie gezongen wordt, die oorspronkelijk tot de Romeinse liturgie behoorde? En waarop de oorspronkelijke Latijnse tekst het geloof in één enkele, almachtige God plechtig en steeds opnieuw herhaalde… en herhaalde… en herhaalde?
Nee. Natuurlijk is dit geen toeval. De goden dobbelen niet.
Wat mij is overkomen in de Elyzeese Velden, houdt niet alleen een belofte in, maar ook een opdracht. Ik werd ‘geroepen’ om een grootse taak te vervullen, om de geboorte van een Nieuwe Wereld mogelijk te maken. Ik heb de Tekenen gezien, en het orfisme heeft mij een kader gegeven waarbinnen deze Tekenen kunnen worden geïnterpreteerd… Het is nu mijn missie, dames en heren, deze boodschap uit te dragen in de wijde wereld en medestanders te vinden die samen met mij de oude cultus van het orfisme nieuw leven willen inblazen om zo de Nieuwe Wereld vorm te geven op de puinen van de Oude…
Ik dank u.

maandag

De Akasha Kroniek

Toen het nieuws over wat er precies gebeurd was eind juni 1914 in Sarajevo langzaam maar zeker begon door te sijpelen, begreep Jean-François de Saint-Omer dat het eerste deel van de profetie in vervulling was gegaan. Een Oude Wereld stond op het punt te verdwijnen voor een Nieuwe Wereld. Als hij al getwijfeld had aan de aard van wat hij had gezien in het visioen dat hem te beurt was gevallen tijdens de opvoering van Le Sacre du Printemps, dan was alle twijfel nu als sneeuw voor de zon verdwenen. Want hij had de jongeman herkend, van wie de foto in de krant stond…
Gavrilo Princip had zich na zijn studies bij het geheime Bosnisch-Servische genootschap van de Zwarte Hand gevoegd. Hij had ook geprobeerd dienst te nemen in het Servische leger, dat op het punt stond Macedonië binnen te vallen, maar men had hem verteld dat hij daarvoor te klein en te zwak was. Toen had Gavrilo Princip zich voorgenomen een daad te stellen die het tegendeel zou bewijzen – Gavrilo Princip, of de jongeman met de droeve ogen die zijn hoofd had gebruikt als trommelvel en voor wie hij later in het Bois de Boulogne zijn visioen in verzen had gedeclameerd, over de prins en de wurgende zwarte hand…
Op 28 juni bezochten de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn echtgenote Sophie de hoofdstad van het door Oostenrijk-Hongarije in 1908 geannexeerde Bosnië. In het naburige Servië herdacht men het einde van de Servische onafhankelijkheid – de dag was dus niet zo best gekozen. Princip en een aantal medestudenten legden de leiding van de Zwarte Hand een plan voor om een aanslag uit te voeren op Franz Ferdinand. Het genootschap reageerde terughoudend, maar bezorgde de groep uiteindelijk toch wapens en cyanidecapsules voor het geval iemand gegrepen zou worden.
Langs de route die Franz Ferdinand zou volgen, stonden diverse leden van de Zwarte Hand klaar om de aartshertog te vermoorden. Er werd een bom in de automobiel gegooid, maar ze stuiterde er weer uit en kwam onder een automobiel terecht waarin enkele officieren zaten. Drie van hen raakten gewond. Gavrilo Princip en zijn handlangers gaven er ontmoedigd de brui aan en dropen af.
Aanvankelijk wilde Franz Ferdinand de dag nog afwerken zoals het was voorzien, maar later veranderde hij van gedachten en gaf zijn chauffeur de opdracht naar het ziekenhuis te rijden om de gewonde officieren te bezoeken. De man nam de verkeerde afslag, waardoor het gezelschap weer oog in oog met Princip kwam te staan. Hij zag zijn kans schoon en vuurde drie schoten af. Franz Ferdinand werd geraakt in de nek, zijn zwangere echtgenote in de buik. Ferdinand en zijn vrouw Sophie overleden ter plaatse, ze lieten drie kinderen achter.
Princip slikte de cyanide die hij meegekregen had, maar het bleek om een verouderde capsule te gaan, waardoor het gif niet meer werkte. Hij werd in de boeien geslagen en in de gevangenis gegooid.
Het was niet alleen een noodlottige samenloop van omstandigheden, maar ook een regelrechte vaudeville: de kroonprins die op de valreep besloot de gewonde officieren te gaan bezoeken, de chauffeur die de verkeerde weg nam en stil bleef staan op de plek waar Princip net uit de kroeg moest komen… Maar de gevolgen waren er niet minder desastreus om. Een maand later verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië. Duitsland eiste in een ultimatum aan Rusland de stopzetting van alle militaire voorbereidingen en in een ultimatum aan Frankrijk opheldering over de Franse houding ten opzichte van een oorlog tussen Rusland en Duitsland. Pogingen van vooral Britse zijde om een oorlog te voorkomen, mislukten. Op 30 juli mobiliseerde Rusland, een dag later Oostenrijk-Hongarije. Op 31 juli mobiliseerde België en werd de Franse socialistische voorman Jean Jaurès doodgeschoten, zowat de meest invloedrijke figuur die zich verzette tegen de algemene stemming in een Europa dat regelrecht afstevende op een gewapend conflict.
Princip was erbij geweest toen Jean-François hem deelgenoot had gemaakt van zijn visioen in verzen… en had zo de Eerste Grote Oorlog weten te veroorzaken, die de Oude Wereld zou vernietigen, zodat een Nieuwe Wereld kon ontstaan.

De dagen van die zomer van 1914 waren lang en zonnig, de nachten zwoel en maanverlicht. Het was een tijd van zeilwedstrijden en doezelige namiddagen en van Europeanen die hun huizen verlieten om hun gevoelens en vooroordelen in het openbaar uit te spreken in de straten en op de pleinen van hun steden en gemeenten. Er hing een kermisachtige sfeer in de lucht, waarin zowel straatredenaars als massahysterie heel goed konden gedijen. In Berlijn, Sint-Petersburg, Wenen, Parijs en Londen kwam het volk massaal op straat om hun politieke en militaire leiders in de richting van een confrontatie te dwingen. Iedereen voelde dat er grote dingen stonden te gebeuren.
En in die sfeer van gespannen verwachting stond Walter Johannes Stein plotseling bij Jean-François aan de deur – een jongeman van zijn leeftijd ongeveer, met een slappe baret op het hoofd en een goudgerand brilletje dat aan een lintje op zijn revers hing te bengelen. Hij had lichtblauwe ogen en een intense blik.
‘U herkent mij wellicht niet,’ zei de jongeman met een zacht Duits accent. ‘Maar ik was erbij in het Bois de Boulogne, toen u de verzen reciteerde over de Prins en de Zwarte Hand… Mag ik binnenkomen?’
‘Natuurlijk,’ zei Jean-François.
Walter Johannes Stein studeerde aan de natuurkundige faculteit van de Technische Hogeschool in Wenen, maar werkte momenteel aan een proefschrift over een filosofisch onderwerp. ‘Het handelt over de hogere niveaus van het bewustzijn en hoe we die kunnen bereiken zonder onze fysieke organen te gebruiken of de biochemie van het lichaam aan te wenden,’ legde hij uit. ‘Zo blijken bijvoorbeeld alle mogelijke kunstuitingen een grote invloed te hebben op de evolutie van het menselijk bewustzijn. Het is ook in het kader van mijn navorsingen dat u mijn aanwezigheid op de première van Le Sacre mag interpreteren.’
‘Ik begrijp het,’ zei Jean-François.
Vervolgens deed Walter Johannes Stein hem het relaas van een gebeurtenis die zich had voorgedaan in augustus 1912, in een oude wijk van de stad, aan de oever van de Donau. In een obscuur boekhandeltje, gespecialiseerd in occulte literatuur, pakte hij een in rafelig leer gebonden negentiende eeuwse editie van Wolfram von Eschenbachs Parsival van een hoge en nagenoeg lege boekenplank.
‘Ah!’ riep Jean-François uit, die nog steeds niet wist waar zijn onverwachte gast heen wilde, maar ondertussen wel bijzonder geïntrigeerd was geraakt door diens plotselinge verschijning. ‘De reine dwaas die een avontuurlijke queeste onderneemt naar de Graal!’
‘Inderdaad,’ zei Walter Stein. ‘Maar wàt is de Graal? Sommigen spreken over een uit de hemel gevallen steen, anderen over een edelsteen uit de kroon van Satan of de kelk waaruit Christus dronk tijdens het Laatste Avondmaal en waarin later zijn bloed werd opgevangen op de Schedelberg.’
Het boek zelf stelde niet veel voor, maar de notities in bloedrode inkt en steeds hetzelfde precieuze handschrift, sneden hem de adem af. Iedere bladzijde was ermee bedekt. Bereidwillig betaalde hij dubbel zoveel als het exemplaar waard kon zijn en met zijn vondst onder de arm wandelde hij naar Demel’s Café aan de Kohlmarkt.
‘Als u ooit naar Wenen komt, moet u dit exclusieve établissement zeker bezoeken,’ zei Walter Stein. ‘Het heeft charmante eikenhouten lambrizeringen, marmeren tafeltjes en het beroemdste gebak ter wereld. Fijnproevers beweren dat het genot van een Crème Grenoble in Demel’s Café tot de grote gebeurtenissen uit een mensenleven moet gerekend worden. En ik kan ze geen ongelijk geven.’
Verstrooid bestelde Walter Stein een koffie en een zacht notentaartje met curaçao en pruimen, waarna hij begon te lezen.
‘Mijn koffie werd koud en het notentaartje bleef onaangeroerd, want de commentaren in de marge… Ik moet u zeggen… Ze waren doorgaans grof, obsceen en hermetisch… Soms leken het pornografische gedichten…’

En de historische hysterica,
de tandeloze bandeloze tante krijt:

‘Vrij met mij! Wrijf je lijf in mij! Er is nog tijd!’
En hij splijt de spleet van de leproze roos

En de ouwe doos bijt.
En hij is zijn kop kwijt.

Of:

Hij heeft ‘m in haar oven geschoven
en nu moet ie d’raan geloven:

Heer Halewijn, geheel de uwe
is de Zwarte Weduwe:

De helse machine
beter bekend als de Guillotine.

‘Er stond iets over een Prins die gewurgd werd door een Zwarte Hand en over een Witte Dame die op een Berg verscheen en de Bergkoning van zijn troon stootte, terwijl ze schrijlings op een Oude Goede God gezeten ook nog eens copuleerde met zijn zoon. Het was niet duidelijk of het om de Zoon van God ging, dan wel om die van de Bergkoning. Nogal wat notities waren tegelijk fanatiek… Germaans – ik kan ze niet anders omschrijven – en antisemitisch. Zo zouden de Graalridders verraad plegen aan hun zuiver Germaans bloed door het smerige bijgeloof van de jood Jezus aan te hangen, dat al even weerzinwekkend en bespottelijk was als het jiddische ritueel van de besnijdenis.’
Walter Stein vroeg zich af welk duister genie verantwoordelijk was geweest voor deze commentaar, toen in de étalage van Demel’s Café, tussen het aardbeienijs met Malagawijn en de schalen met Streuselkuchen, een jongeman met een arrogant gezicht opdook. Twee helblauwe ogen gluurden naar binnen, maar hun gulzige uitdrukking had niets te maken met de lekkernijen, want die keurden ze geen blik waardig. Er hing een losse bruine haarlok over zijn voorhoofd en hij droeg een smalle, kortgeknipte snor die bijna komisch aandeed. De jongeman was gekleed in een veel te grote zware overjas en zijn tenen waren zichtbaar door de scheuren in zijn schoenen. In zijn handen hield hij enkele aquarellen ter grootte van een ansichtkaart, die hij aan de klanten trachtte te verkopen.
Walter Stein hoorde hoe de jongeman – zonder succes – zijn waren aanprees. ‘Ze hebben mij de toegang ontzegd tot de Academie voor Schone Kunsten, maar geef toe…’
Voor het tafeltje van Walter Stein bleef hij staan. Hij duwde de student een schilderijtje onder de neus. Het drong eerst niet eens tot Stein door wat het voorstelde, omdat al zijn aandacht naar de handtekening gezorgen werd, die identiek dezelfde was als deze op het titelblad van zijn beduimelde exemplaar van Parsival.
‘De joden hebben nu ook de School voor Architectuur ingepalmd! Ik zweer het je, voor goede Duitsers als wij breken sombere tijden aan!’
Walter Stein klapte het boek open en legde zijn vinger op een notitie, die hem bijzonder intrigeerde: ‘De queestes naar de Heilige Graal komen in feite neer op een alleen door de Geïllumineerde te decoderen handleiding voor het verwerven van een transcendentaal bewustzijn.’ Hij sloeg de blik op naar de armoezaaier met het belachelijke snorretje en zei: ‘Ik vond uw stelling heel interessant, maar had er wel nog wat vragen bij.’
De jongeman staarde Stein perplex aan en vroeg hem waar hij dat boek vandaan had. Toen Stein hem vertelde waar hij het boek had gekocht, vloekte hij gesmoord en mompelde dat hij zijn vriend nog zo op het hart had gedrukt al zijn boeken te verkopen, maar dit boek niet.
‘Maar misschien wilt u het wel ruilen voor deze schilderijtjes?’
‘Op een voorwaarde,’ zei Stein.
‘En die is?’
‘Dat u me vertelt waar u dat idee vandaan hebt.’
‘Welk idee?’
‘Over de Graalqueestes die een handleiding zouden zijn voor het verwerven van een transcendentaal bewustzijn.’
De jongeman legde Stein stottterend uit dat Wolfram von Eschenbach eigenlijk Anschau bedoelde, als hij schreef dat hij ‘de geschiedenis’ in Anjou gevonden had. Anschau werd vaak foutief gespeld als ‘anjou’. Hij bedoelde er ook geen geografische plaats mee, maar een toestand van hoger bewustzijn. De Kroniek van Anschau was bijgevolg geen verslag van historische gebeurtenissen, maar een kosmische blauwdruk van een hogere tijdsdimensie, waarin heden, verleden en toekomst samenvielen.
‘In de Parsival heb ik dan ook de toekomst gelezen,’ zei de jongeman. ‘Mijn toekomst. Ik weet perfect wat me te doen staat.’

Op 1 augustus verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland, de dag nadien overschreden Duitse troepen de grens van Luxemburg en zond Berlijn een ultimatum aan Brussel. Groot-Brittannië verklaarde Duitsland de oorlog, en terwijl Franse troepen ter hulp snelden, begon de strijd om de forten van Luik. Ondertussen vlogen de oorlogsverklaringen heen en weer. Op 17 augustus capituleerde Luik, op 23 augustus verklaarde Japan de oorlog aan Duitsland en op 24 augustus begon de Slag bij Mons, waar Belgen en Britten werden verslagen, zodat Duitse troepen Frankrijk binnen konden trekken.

Er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Eerste zijn
als de Prins wordt overmand
door een Zwarte Hand.

Jean-François dacht in die dagen voortdurend aan het vreemde verhaal van zijn bezoeker, dat zo wonderlijk aansloot bij de notities die hij in de Parsival had gevonden. ‘We moeten Herr Hitler, stoppen,’ zei hij. ‘Het is duidelijk dat jullie beiden op ongeveer dezelfde wijze toegang hebben gekregen tot de Akasha Kronieken. Hebt u daar ooit van gehoord, meneer de Saint-Omer?’
‘Nee,’ zei Jean-François.
‘Kent u Rudolf Steiner dan?’
‘Ook niet.’
‘Hij was de secretaris van de Duitse theosofen, maar hij heeft zich recent van deze beweging afgescheiden en het Antroposofisch Genootschap opgericht, dat de wijsheid van de mens centraal stelt. Steiner had als kind reeds paranormale gaven, studeerde natuurwetenschappen en vroeg zich af of het mogelijk was om op dezelfde manier de geestelijke achtergrond van de werkelijkheid te onderzoeken. Die gaat immers het normale menselijke waarnemingsvermogen te boven. Hij heeft een merkwaardige visie op de figuur van Jezus Christus en op de Kruisiging. Toen de goden hun macht over de aarde dreigden te verliezen, besloten ze de zonnegeest – Christus – te offeren, die voor dat doel intrad in de mens Jezus van Nazaret. Steiner zou deze informatie gekregen hebben door te “schouwen” in de Akasha Kroniek, een soort geestelijk boek waarin de geschiedenis van de kosmos en de daden van de mensheid zijn opgeslagen. Het is een plaats die buiten tijd en ruimte staat en die vele namen heeft gekregen. In de Bijbel noemen we ze “de eeuwigheid”, in de psychologie “het collectieve onderbewustzijn”. Het begrip komt uit het Oosten en refereert aan een collectief geheugen, een magazijn waarin alle gedachten, emoties en gebeurtenissen worden bewaard vanaf het begin der tijden, en dat voor iedereen toegankelijk is.’
Jean-François had geboeid geluisterd naar de uiteenzetting van Walter Stein. ‘U denkt dus… dat ik een missie heb?’ vroeg hij ten slotte.
‘Op een of andere manier hebt u net zoals Herr Hitler toegang gekregen tot de Akasha Kronieken, meneer de Saint-Omer. U bent nu ook een… Geïllumineerde. Zij zijn het die achter de schermen alle gebeurtenissen sturen. U hebt een glimp opgevangen van de omstandigheden die zullen leiden tot een Eerste, Tweede en Laatste Grote Oorlog. Aan de Eerste Grote Oorlog kunnen wij niets meer veranderen, maar de Tweede kunt u stoppen.’
‘En hoe stelt u zich dat zo voor?’
‘De Maagd mag niet op de Berg verschijnen, en als zij dat toch doet, mag de Bergkoning niet van zijn troon gestoten worden.’

Nadat Walter Stein was vertrokken, had Jean-François nog lang nagedacht over de verbluffende inzichten die de Geïllumineerde hem had aangereikt en over de positie die hij in dit oog van de storm moest aannemen. Jean-François de Saint-Omer had aan Credo gedacht dat weerklonk boven de Elyzeese Velden, toen Nijinski dans en muziek met een autoritair gebaar had stilgelegd en de Akasha Kronieken zich voor hem hadden geopenbaard. De profetie waarvan het eerste deel nu stilaan in vervulling ging, was vol van verborgen betekenissen geweest, van vingerwijzingen, van mystiek en mysterie…
Zijn voorouders langs vaderskant waren bijvoorbeeld afkomstig uit Frans-Vlaanderen, maar zijn grootmoeder langs moederskant was geboren in Geraardsbergen. Net als Walter Johannes Stein was Gavrilo Princip aanwezig geweest bij het Lenteritueel in de Elyzeese Velden. Het toeval bestond niet, Princip had zijn lot aanvaard, zijn toekomst gezien en de Eerste Grote Oorlog veroorzaakt. Diende hij, Jean-François de Saint-Omer, zijn wortels nu te volgen naar hun oorsprong? Werd er van hem verondersteld dat hij bij de Berg van Geraard ging wonen, om daar een Maagd te doen verschijnen, die de Tweede Grote Oorlog kon veroorzaken?
Jean-François de Saint-Omer herinnerde zich nog heel goed hoe zijn grootmoeder ’s avonds, in de zomer, aan zijn bed kwam zitten in de grote donkere slaapkamer die de zijne was wanneer hij logeerde in haar prachtig huis in Geraardsbergen. De scheidende dag en de vallende nacht wierpen een dubbelzinnig licht door de in lood gevatte ruitjes van het ouderwetse venster. En zij zette een eindeloos lange en dieptreurige ballade in, en zong die zeer traag en slepend, zuchtte de woorden bijna. De melodie van het Roomse Credo was eentonig en plechtig en het lied hinkte gebrekkig voort op assonerende rijmen en tweeregelige strofen, waarvan iedere tweede regel werd herhaald als om er meer nadruk op te leggen. En daarna werd dezelfde melodie weer aangeheven, en opnieuw, en opnieuw, en opnieuw…
En het kon geen toeval zijn dat precies op deze melodie Het Lied van Heer Halewijn werd gezongen, want het toeval bestond niet.
Er wachtte hem inderdaad een missie – maar zijn taak zou hij niet volbrengen als hij in Parijs bleef wonen. Zijn opdracht had alleen een kans op slagen als hij naar Geraardsbergen trok.

Le Sacre du Printemps










Toen hij later op de avond van donderdag 29 mei 1913 het Théâtre des Champs-Elysées verliet, had Jean-François de Saint-Omer het gevoel dat hij nu pas écht was geboren, en niet eenentwintig jaar eerder. Of misschien moest hij het anders uitdrukken; misschien was de oude Jean-François – een grijsaard van eenentwintig – die avond schielijk overleden en prompt herboren. Want was elk sterven op zijn manier ook niet een geboren worden?
Om 19.00 uur, terwijl de beau monde van Parijs het gebouw aan de Avenue Montaigne vulde met opgewonden gekwetter en ruisende zijde, met zwartwitte rokkostuums, fonkelende diademen en elegante gebaren, was Jean-François nog een eenvoudig student medicijnen. Al sloeg ‘eenvoudig’ dan wel uitsluitend op zijn spirituele kwaliteiten en geestelijke vermogens, want als enig kind van een rijke reder, gevestigd in Duinkerken, was er hem geen enkele materiële nood bekend die het fortuin van zijn vader niet kon lenigen. Van een telg uit een geslacht van verarmde landadel, was de vader van Jean-François met éclatant succes veranderd in een nouveau riche – een parvenu van het soort dat zíjn vader nog bijzonder grondig had verafschuwd. Maar deze revolutie van jaren viel in het niets bij de metamorfose die Jean-François op een enkele avond onderging: van een ongetwijfeld kunstzinnige jongeman, die bij wijze van hobby ook wat aan antropologie deed en een groot bewonderaar was van The Golden Bough van James George Frazer, verandere Jean-François in een uiterst sensitief medium tussen deze en gene wereld, een visionair die het lot van de mensheid had gezien en dus ook in zijn handen hield. De Jean-François van vóór 29 mei verhield zich tot de versie van daarna als een Neanderthaler tot een Homo Sapiens.
Op 29 mei 1913 om 19.00 uur was Jean-François nog uitsluitend een artistieke snob geweest – een van de zovele die als een mot werden aangetrokken door de ontelbare lichtjes van de Lichtstad, een tijdje hysterisch en verblind in het rond fladderden, en ten slotte onherroepelijk hun vleugels verschroeiden. Met zijn lange haren en baard, en de slappe baret die door ingewijden werd beschouwd als een teken van verzet tegen de stijve hoeden en bolhoeden van de vorige generatie, zag hij er ook uit als een estheet van de nieuwe eeuw, de artistieke rebel die radicaal zou breken met de verworvenheden van de belle époque. Maar luttele minuten later, terwijl hij de koele nachtlucht van Parijs in strompelde, was Jean-François reeds… iemand?... iets?... waar hij geen woorden meer voor vond, omdat er ook geen woorden meer voor waren.
Was hij een oor, dat de stem van de kosmos had opgevangen?
Was hij een oog, dat open was gegaan en een glimp had opgevangen van de geheimen van het universum? Dat verleden, heden en toekomst had gezien in een werveling van muziek en dans en sissend gelispel?
Was hij een Illuminatus?

Jean-François betrok de pied-à-terre van de familie, gelegen in de wijk tussen de Champs-Elysées en de Place d’Alma, die tegen het eind van de negentiende eeuw was gerenoveerd en sindsdien bijzonder in trek was geraakt bij de haute bourgeoisie. Zijn vader gebruikte het huis voornamelijk om zijn ontelbare affaires te regelen – zowel die van zakelijke als van amoureuze aard. Het optrekje lag vlakbij de met bomen omzoomde, schaduwrijke Avenue Montaigne, waar op nummer 13 net de laatste hand was gelegd aan een prachtig theater dat behoorde tot de eerste generatie gebouwen waarvoor gewapend beton was gebruikt. Het was een krachtige constructie met zuivere, bijna kille contouren, gladde oppervlakken en scherp afgelijnde randen. Jean-François had nooit eerder een zo volmaakte geometrische verhouding waargenomen tussen de ruimten voor de aanplakborden, de ramen, de deuren en de panelen met gebeeldhouwde hauts-reliefs. Hoewel de hal helemaal uit marmer leek opgetrokken, slaagde ze er nog in sober over te komen en zelfs de grote zaal, versierd met fresco’s en tinten van purper en goud, maakte een kale, koele indruk.
Jean-François was erbij geweest, toen het theater op 30 maart de deuren opende. Op de gevel gerichte lampen benadrukten de witte eenvoud van het gebouw en deden Apollo en zijn muzen, in reliëf aangebracht op een fries, nog beter uitkomen. Hij had genoten van Benvenuto Cellini van Berlioz en Der Freischütz van Weber – maar deze uitvoeringen hadden de wereld niet op zijn kop gezet. Zij hadden geen onvermoede spirituele dimensie ontsloten, geen derde oog geopend.
Al weken deden geruchten de ronde over de artistieke wonderen die Les Ballets Russes van Serge Diaghilev voor het verwende Parijse publiek in petto hadden. In de pers had men het over ‘een waarachtige, niet aan tijd of ruimte gebonden kunst’, zodat de directeur van het Théâtre des Champs-Elysées zijn kans schoon zag om prompt de prijzen van de zitplaatsen te verdubbelen. Er hing een sfeer van verwachting in de lucht; verwachting van nieuwe tijden die radicaal zouden breken met de oude zeden en gewoonten. Veertien dagen eerder had Nijinsky de Jeux van Debussy gedanst in een sportkostuum en in plaats van een virtuose choreografie had hij het publiek getracteerd op naïeve spasmen. In L’après-midi d’un Faune droeg hij een tricot en liet hij zich met wiegende heupbewegingen zakken op de jurk van een nimf, huiverend in een gesimuleerd orgasme. De balletthema’s van Diaghilev werden steeds openlijker erotisch en zelfs sadomasochistisch – jonge slaven die hun seksuele genot met hun leven moesten betalen, een koningin op zoek naar een geliefde en bereid om na een liefdesnacht bij zonsopgang te sterven… In zekere conservatieve kringen begon de opwinding zo stilaan om te slaan in ongerustheid, omdat de ratio steeds meer werd verdrongen door pure, ongecontroleerde emotie. Waar moest dit eindigen?
Componist Igor Stravinski had zijn Sacre du Printemps aangekondigd als een muzikaal choreografisch werk, waarin het heidense Rusland ten tonele zou worden gevoerd. Het basisthema was het mysterie en de overweldigende scheppende kracht van de lente. Het stuk had geen verhaal, zei men. Eigenlijk was het niet meer of minder dan een lentefeest, een ritueel. Er waren geruchten over een helderziende oude vrouw die het mysterie van de natuur doorgrondde en op die manier de toekomst kon voorspellen; over een rei jonge meisjes met beschilderde gezichten die een hartstochtelijke lentedans uitvoerden op de aarde die zij aanbeden en waarmee zij nu gauw één zouden worden. Er was sprake van een geheimzinnig spel dat een hele nacht lang gespeeld werd door de maagden en waarin een van hen tot offer moest worden gewijd, tot slacht-offer… Als eerbetoon dansten de anderen voor haar – de Uitverkorene – een huwelijksdans. Ze riepen de voorvaderen aan en vertrouwden de Uitverkorene toe aan de oude wijze mannen, en Uitverkorene offerde in hun bijzijn haar aardse lichaam op tijdens een heilige offerdans.
Jean-François werd voortdurend herinnerd aan de Gouden Tak van James George Frazer. Nog niet zo lang geleden had hij daarin met groeiende opwinding gelezen hoe er in verre voorhistorische tijden geen sprake was van een erfelijk koningschap; de vorst werd na een ambstermijn van een jaar om het leven gebracht. Een jaar stemde overeen met de natuurlijke kringloop, de gang der seizoenen – en ieder jaar weer voltrok zich het wonder van de vruchtbaarheid. Alleen uit de winter kon een nieuwe lente ontstaan; alleen de dood stond garant voor nieuw leven. De koning werd beschouwd als een God en offerde zich op, zodat na de winter een nieuwe lente zou aanbreken en alles weer van voor af aan kon beginnen. Net als de natuur had hij een taak te volbrengen en na zijn dood kon meteen de heerschappij van zijn opvolger beginnen, die uiteraard weer een als mens geïncarneerde god was. En zo bleef de continuïteit van zaad tot zaad gewaarborgd, en werden het leven van mens, dier en gewas veilig gesteld.
Later ging men wat vrijer omspringen met het gebruik, dat echter gehandhaafd bleef omdat het nu eenmaal een kwestie van leven of dood betrof. Voor de goddelijke heerser was het ogenblik van zijn offerdood nu aangebroken op het moment dat hij de eerste tekenen van lichamelijke aftakeling begon te vertonen. Vervolgens werd een plaatsvervanger uitverkoren om geofferd te worden; de talloze verhalen over ‘schertskoningen’ die de plaats van de echte vorst innamen, vonden hier hun oorsprong. Zo was ook Prins Carnaval een plaatsvervangende ‘schertskoning’?
Nog later volstond een lentefeest. Le Sacre du Printemps had alles te maken met deze nieuwe verbijsterende inzichten. Het was niet zozeer een ballet, het was een ritueel dat de komst van een nieuwe tijd aankondigde en misschien zelfs mogelijk maakte. De oude wereld moest vernietigd worden, opdat een nieuwe wereld vorm kon krijgen. De première van Le Sacre du Printemps was dan ook niet in de eerste plaats een cultureel evenement of een sociaal gebeuren, het was een politieke daad. Dat had Jean-François dank zij zijn lectuur van The Golden Bough wel begrepen. Hij was dus niet echt verbaasd toen het publiek vlak na de weemoedige opening door de fagot zo heftig begon te reageren. Trage trillende klanken van houten blaasinstrumenten evoceerden het mysterie van de ontluikende natuur, het doek ging op en de dansers verschenen… Een primitieve stam bewoog frenetiek en pulserend op de oudste ritmen van het leven op aarde; onder schel trompetgeschal en een stotend daveren van onherkenbare instrumenten en meedogenloze trommels, sprongen de dansers op en neer in een hartstochtelijke overgave. Ze draaiden hun voeten daarbij naar binnen in plaats van naar buiten, wat indruiste tegen alle conventies van het klassieke ballet. En toen was het begonnen: het fluiten, het joelen, het...
Een deel van het publiek gaf luidruchting lucht aan de mening dat er op deze wijze een groteske karikatuur werd gemaakt van de edele kunstvorm die het ballet moest zijn en blijven. Maar Jean-François begreep heel goed dat ze eigenlijk alleen maar probeerden hun angst voor een nieuwe tijd de baas te blijven. Het was een belediging van de goede smaak, zeiden ze, waarop men met hoongelach hoorde te reageren. Zo zou men niet merken dat zij volkomen uit het lood geslagen en in verwarring waren gebracht.
De bewonderaars van componist Igor Stravinski en de dansers van Diaghilev applaudiseerden, maar terwijl een maagd zich dood danste om de aarde haar vruchtbaarheid terug te geven en de muziek zich steeds intenser en opzwepender toewerkte naar een laaiende climax die alle beloften van het nieuwe tijdperk inhield, begonnen de beledigingen en de klappen over en weer te vliegen.
Eerst merkte Jean-François het nauwelijks op. Er werden visitekaartjes uitgewisseld, waardoor de partijen later in staat zouden zijn elkaar uit te nodigen tot een duel, zodat men mogelijk tot een bevredigend vergelijk zou komen. Een dame uit de betere kringen spuwde iemand in het gezicht, maar het drong pas echt tot Jean-François door wat er om hem heen gebeurde, toen hij zag hoe de oude gravin de Pourtalès recht was gaan staan. Haar diadeem was scheef gezakt en ze wuifde op het hysterische af met haar waaier, terwijl ze uitriep dat het een schande was, dat ze zestig jaar was geworden en dat niemand het tot dusver had gewaagd de draak met haar te steken, en dat ze ook nu niet zou dulden dat...
De rest van haar betoog ging verloren in het kabaal, dat ook de muziek overstemde.
Jean-François wist niet of hij het erg moest vinden dat niemand – behalve de musici en hun dirigent misschien – de muziek nog kon horen. Hier was immers iets heel anders, iets veel groters aan de hand dan de opvoering van een muziekstuk of een ballet. Hij meende een glimp op te vangen van Nijinski die in de coulissen op een stoel stond, met zijn vuisten het ritme sloeg en schreeuwde: ‘Ras! Dwa! Tri!’
‘Waar is de harmonie gebleven?’ huilde iemand. ‘Hoort u een melodie, meneer?’
‘Het is muzikale anarchie!’ riep een ander. ‘Het werk van een ketter die de muziek als kunstvorm wil vernietigen!’
‘Nee, meneer!’ brulde een slappe baret. ‘Dit is muziek van de twintigste eeuw!’
Op de stoel achter Jean-François zat een jongeman, die tijdens het ballet ging staan om beter te kunnen zien. Opgewonden door de muziek, begon hij ritmisch met zijn vlakke handen op het hoofd van Jean-François te slaan, alsof zijn schedel een trommel was. Maar Jean-François was zo overweldigd door de emotie dat hij de klappen niet voelde, ook al omdat ze perfect synchroon liepen met wat hij meende dat de maat van het gebeuren moest zijn – want van louter en alleen muziek kon al lang geen sprake meer zijn. Uiteindelijk draaide Jean-François zich om en greep de trommelaar, die als in trance voor zich uit staarde, bij de polsen. Toen pas leek de jongeman weer tot zichzelf te komen.
‘Het spijt me,’ stamelde hij. ‘Ik liet me meeslepen.’ Er welden tranen op in zijn onuitsprekelijk droeve ogen.
Saint-Saëns verliet verontwaardigd de zaal. Ravel brulde: ‘Geniaal!’ En Nijinski gaf nog steeds dat stampende en stuwende ritme aan: ‘Ras! Dwa! Tri!’
Jean-François voelde zich op een eigenaardige manier volkomen op zijn gemak in de draaikolk. Hij genoot van de strijd die werd gestreden door onhoorbare musici en met doofheid geslagen dansers om in hun muziek en dans een eenheid te blijven vormen met hun onzichtbare choreograaf. Terwijl protesterende dames en heren wild gesticulerend uit het theater verwijderd werden, gingen alle lichten in de zaal weer aan. De uitverkoren maagd voltooide haar vreemde dans van religieuze hysterie op een toneel dat werd verduisterd door de felle lichten in de zaal, begeleid door het raaskallen van een menigte boze mannen en vrouwen. Uiteindelijk dansten de dansers op het rumoer dat door het publiek werd gemaakt, dacht Jean-François – op het klappen in de handen en het fluiten op de vingers.
‘Ecoutez d’abord! Vous sierez après!’ hoorde hij de directeur van het theater vanuit zijn loge gillen. ‘Eerst luisteren! Fluiten kan daarna nog!’
Toen leek de storm langzaam maar zeker te gaan liggen. Het ‘Ras! Dwa! Tri!’ van Nijinski weerklonk lager en trager en het was alsof men het laatste deel van het werk in volmaakte stilte wilde beluisteren, hoewel Jean-François ergens in de verte een hoge schrille fluittoon bleef horen.
Later zou hij zich niets meer herinneren van de rest van het programma; hij zou onmogelijk kunnen beschrijven hoe Les Sylphides, Le Spectre de la Rose en Prince Igor werden ontvangen. Waren deze stukken ook werkelijk opgevoerd? Hij wist alleen dat er plotseling een stem was geweest. Een broze, zwevende, hoge en hese stem… Eerst stelde ook deze stem niet veel meer voor dan een fluittoon, atonaal. Toen vormde de toon een klank en uiteindelijk kon hij in de klank ook woorden ontwaren.
Dat was het moment waarop Jean-François de Saint-Omer werd geboren – waarlijk, en voor het eerst in de eenentwintig jaar dat hij zich over de aarde voortbewoog. Terwijl Nijinski uit de coulissen stapte en met een autoritair gebaar teken deed aan de muzikanten dat zij moesten ophouden met musiceren en aan de dansers dat zij het dansen konden stoppen, werd zijn derde oog geopend. En terwijl de muziek vertraagde, krassend en kakofonisch alsof ze voortgebracht werd door een grammofoon en Nijinski het draaien van de plaat met zijn vinger langzaam maar zeker tot stilstand had gebracht, kon hij de stem van een God horen. De dansers bewogen nu trager, alsof zij door dikke zware luchtlagen moesten waden, om uiteindelijk net als de mensen in de zaal geheel en al te bevriezen in een onmogelijk tableau vivant.
En toen een immense, afwachtende en gespannen stilte was neergedaald over de Elyzeese Velden, en niets of niemand nog bewoog en geen oog knipperde, geen borst op en neer ging, geen zenuwtrek te bespeuren viel… toen was het Nijinski zelf die hem toesprak met de stem van God en zei:

Er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Eerste zijn
als de Prins wordt overmand
door een Zwarte Hand.

Ineens was er weer muziek te horen. Maar het ging niet langer om een thema uit Le Sacre du Printemps en ze werd ook niet voortgebracht door de muzikanten van vlees en bloed die nog steeds roerloos in de orkestbak zaten, wachtend op een teken van dirigent Monteux om hun muzikale beweging te hervatten… Het was muziek die voortgebracht werd door de sferen, door hemelse stemmen – en hij herkende de naar een primitieve melopee zwemende melodie maar al te goed: het was het Credo In Unum Deum Patrem Omnipotentem dat zijn grootmoeder zo vaak had gezongen, en dat nu overgenomen werd door een hemels koor.
‘Ras! Dwa!Tri!’ zong Nijinski – en hij zette een dans in en als iemand hem tijdens die dans had gevraagd of het niet moeilijk was gedurende een sprong zo lang in de lucht te blijven, zou hij die vraag niet eens begrepen hebben, zou hij uiteindelijk misschien alleen op een hoffelijke toon geantwoord hebben: ‘O nee, dat is niet moeilijk. Je springt gewoon omhoog en je blijft daar dan even hangen.’ – Dit perverse genie was het enige dat bewoog op de hemelse koren: een jonge wilde die tweeëndertigste noten telde met zijn voeten, ze een halt toeriep met zijn armen en dan plotseling als verlamd stil bleef staan en humeurig toekeek hoe de muziek voorbijging. En later...

Later, om twee uur ’s nachts, vond Jean-François zichzelf terug in het Bois de Boulogne, terwijl de tranen hem over de wangen stroomden en hij een gedicht reciteerde voor een stuk of wat slappe baretten die er net als hij bij waren geweest toen de oude wereld verging en een nieuwe kosmos uit de chaos ontstond. De jongeman met de droeve ogen was erbij, die – opgezweept door het stuwende ritme – zijn schedel als een trommelvel had gebruikt, en zich vervolgens met trillende stem en bevende handen en tranen in die oneindig droeve ogen had geëxcuseerd.
Jean-François had het gedicht voor hen gereciteerd – voor de jongen in wiens ogen het leed van de wereld leek weerspiegeld te worden, en voor het legertje slappe baretten dat zich om hem heen had verzameld in het Bois de Boulogne. De verzen waren met nerveuze halen neergepend op een vies en verfrommeld programmaboekje van Le Sacre du Printemps:

Er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Eerste zijn
als de Prins wordt overmand
door een Zwarte Hand.

En er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Tweede zijn
als bij Geraards Berg
de Maagd verschijnt.

En ik zie Vier Ruiters rijden
naar de Rand van de Wereld
en er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Laatste zijn

Het gedicht was niet af, wist Jean-François. Hij had de personages gezien in een visioen: de Prins die werd gewurgd door een gigantische Zwarte Hand, de Maagd die op Geraards Berg verscheen, de Vier Ruiters van de Apocalyps die naar de Rand van de Wereld reden. Maar het gedicht was niet af – sommige strofes waren nog blanco gebleven, er moesten nog verzen tussen de regels geschreven worden. Hij had een stem uit de kosmos opgevangen, die hem had verteld hoe en wanneer een Oude Wereld vernietigd zou worden om plaats te maken voor een Nieuwe Wereld, en opnieuw, en opnieuw – een laatste maal. Maar de boodschap was niet volledig. In het gedicht werd bijvoorbeeld niets gezegd over de voortekenen die de Derde Wereldbrand zouden aankondigen, omdat hij ze ook niet in zijn visioen had gezien. Er stond niet voor niets geen punt achter het laatste vers.
Er was hem een blik vergund op de aanloop naar het definitieve Armageddon, die verschrikkelijke Götterdammerung, wanneer de cyclus der seizoen voorgoed een halt zou worden toegeroepen en tijd en ruimte ophielden te bestaan. En toen was hij weer tot zichzelf gekomen, niet in het purperen pluche van het theater van de Elyzeese Velden, maar in het Bois de Boulogne. Zijn derde oog had zich op slag gesloten, hij voelde zich ontheemd – een vreemdeling in een vreemd land, een reiziger die teruggekeerd was in het ouderlijk huis dat hij in een vorige eeuw had verlaten en waar hij niets maar dan ook niets meer herkende.
Door het waas van zijn tranen las hij de boodschap die hij had meegenomen uit die andere dimensie waarin hij heel even had mogen vertoeven. Hij had ze neergelegd in een gedicht en hij wist perfect wat het betekende – maar het gedicht was niet af, en de boodschap was niet volledig. Hij herinnerde zich heel goed wat hij zo duidelijk had gezien alsof het zich voor zijn eigen ogen afspeelde. De Vier Ruiters van de Apocalyps waren vertrokken voor een lange reis naar de Rand van de Wereld… en toen was hij ontwaakt in het Bois de Boulogne.
Of was het juister te stellen dat hij op dat ogenblik opnieuw was ingeslapen?

Squidoo!

Neem een kijkje op Patrick Bernauw Online Squidoo voor een origineel teambuilding moordspel of stadsspel!...
Of beter nog, maak zelf een "lens" bij Squidoo, over je passie, je hobby, je idool,... Het is makkelijk en je verdient er nog een centje aan!
 
Neem hier een vliegende start: