maandag

Le Sacre du Printemps










Toen hij later op de avond van donderdag 29 mei 1913 het Théâtre des Champs-Elysées verliet, had Jean-François de Saint-Omer het gevoel dat hij nu pas écht was geboren, en niet eenentwintig jaar eerder. Of misschien moest hij het anders uitdrukken; misschien was de oude Jean-François – een grijsaard van eenentwintig – die avond schielijk overleden en prompt herboren. Want was elk sterven op zijn manier ook niet een geboren worden?
Om 19.00 uur, terwijl de beau monde van Parijs het gebouw aan de Avenue Montaigne vulde met opgewonden gekwetter en ruisende zijde, met zwartwitte rokkostuums, fonkelende diademen en elegante gebaren, was Jean-François nog een eenvoudig student medicijnen. Al sloeg ‘eenvoudig’ dan wel uitsluitend op zijn spirituele kwaliteiten en geestelijke vermogens, want als enig kind van een rijke reder, gevestigd in Duinkerken, was er hem geen enkele materiële nood bekend die het fortuin van zijn vader niet kon lenigen. Van een telg uit een geslacht van verarmde landadel, was de vader van Jean-François met éclatant succes veranderd in een nouveau riche – een parvenu van het soort dat zíjn vader nog bijzonder grondig had verafschuwd. Maar deze revolutie van jaren viel in het niets bij de metamorfose die Jean-François op een enkele avond onderging: van een ongetwijfeld kunstzinnige jongeman, die bij wijze van hobby ook wat aan antropologie deed en een groot bewonderaar was van The Golden Bough van James George Frazer, verandere Jean-François in een uiterst sensitief medium tussen deze en gene wereld, een visionair die het lot van de mensheid had gezien en dus ook in zijn handen hield. De Jean-François van vóór 29 mei verhield zich tot de versie van daarna als een Neanderthaler tot een Homo Sapiens.
Op 29 mei 1913 om 19.00 uur was Jean-François nog uitsluitend een artistieke snob geweest – een van de zovele die als een mot werden aangetrokken door de ontelbare lichtjes van de Lichtstad, een tijdje hysterisch en verblind in het rond fladderden, en ten slotte onherroepelijk hun vleugels verschroeiden. Met zijn lange haren en baard, en de slappe baret die door ingewijden werd beschouwd als een teken van verzet tegen de stijve hoeden en bolhoeden van de vorige generatie, zag hij er ook uit als een estheet van de nieuwe eeuw, de artistieke rebel die radicaal zou breken met de verworvenheden van de belle époque. Maar luttele minuten later, terwijl hij de koele nachtlucht van Parijs in strompelde, was Jean-François reeds… iemand?... iets?... waar hij geen woorden meer voor vond, omdat er ook geen woorden meer voor waren.
Was hij een oor, dat de stem van de kosmos had opgevangen?
Was hij een oog, dat open was gegaan en een glimp had opgevangen van de geheimen van het universum? Dat verleden, heden en toekomst had gezien in een werveling van muziek en dans en sissend gelispel?
Was hij een Illuminatus?

Jean-François betrok de pied-à-terre van de familie, gelegen in de wijk tussen de Champs-Elysées en de Place d’Alma, die tegen het eind van de negentiende eeuw was gerenoveerd en sindsdien bijzonder in trek was geraakt bij de haute bourgeoisie. Zijn vader gebruikte het huis voornamelijk om zijn ontelbare affaires te regelen – zowel die van zakelijke als van amoureuze aard. Het optrekje lag vlakbij de met bomen omzoomde, schaduwrijke Avenue Montaigne, waar op nummer 13 net de laatste hand was gelegd aan een prachtig theater dat behoorde tot de eerste generatie gebouwen waarvoor gewapend beton was gebruikt. Het was een krachtige constructie met zuivere, bijna kille contouren, gladde oppervlakken en scherp afgelijnde randen. Jean-François had nooit eerder een zo volmaakte geometrische verhouding waargenomen tussen de ruimten voor de aanplakborden, de ramen, de deuren en de panelen met gebeeldhouwde hauts-reliefs. Hoewel de hal helemaal uit marmer leek opgetrokken, slaagde ze er nog in sober over te komen en zelfs de grote zaal, versierd met fresco’s en tinten van purper en goud, maakte een kale, koele indruk.
Jean-François was erbij geweest, toen het theater op 30 maart de deuren opende. Op de gevel gerichte lampen benadrukten de witte eenvoud van het gebouw en deden Apollo en zijn muzen, in reliëf aangebracht op een fries, nog beter uitkomen. Hij had genoten van Benvenuto Cellini van Berlioz en Der Freischütz van Weber – maar deze uitvoeringen hadden de wereld niet op zijn kop gezet. Zij hadden geen onvermoede spirituele dimensie ontsloten, geen derde oog geopend.
Al weken deden geruchten de ronde over de artistieke wonderen die Les Ballets Russes van Serge Diaghilev voor het verwende Parijse publiek in petto hadden. In de pers had men het over ‘een waarachtige, niet aan tijd of ruimte gebonden kunst’, zodat de directeur van het Théâtre des Champs-Elysées zijn kans schoon zag om prompt de prijzen van de zitplaatsen te verdubbelen. Er hing een sfeer van verwachting in de lucht; verwachting van nieuwe tijden die radicaal zouden breken met de oude zeden en gewoonten. Veertien dagen eerder had Nijinsky de Jeux van Debussy gedanst in een sportkostuum en in plaats van een virtuose choreografie had hij het publiek getracteerd op naïeve spasmen. In L’après-midi d’un Faune droeg hij een tricot en liet hij zich met wiegende heupbewegingen zakken op de jurk van een nimf, huiverend in een gesimuleerd orgasme. De balletthema’s van Diaghilev werden steeds openlijker erotisch en zelfs sadomasochistisch – jonge slaven die hun seksuele genot met hun leven moesten betalen, een koningin op zoek naar een geliefde en bereid om na een liefdesnacht bij zonsopgang te sterven… In zekere conservatieve kringen begon de opwinding zo stilaan om te slaan in ongerustheid, omdat de ratio steeds meer werd verdrongen door pure, ongecontroleerde emotie. Waar moest dit eindigen?
Componist Igor Stravinski had zijn Sacre du Printemps aangekondigd als een muzikaal choreografisch werk, waarin het heidense Rusland ten tonele zou worden gevoerd. Het basisthema was het mysterie en de overweldigende scheppende kracht van de lente. Het stuk had geen verhaal, zei men. Eigenlijk was het niet meer of minder dan een lentefeest, een ritueel. Er waren geruchten over een helderziende oude vrouw die het mysterie van de natuur doorgrondde en op die manier de toekomst kon voorspellen; over een rei jonge meisjes met beschilderde gezichten die een hartstochtelijke lentedans uitvoerden op de aarde die zij aanbeden en waarmee zij nu gauw één zouden worden. Er was sprake van een geheimzinnig spel dat een hele nacht lang gespeeld werd door de maagden en waarin een van hen tot offer moest worden gewijd, tot slacht-offer… Als eerbetoon dansten de anderen voor haar – de Uitverkorene – een huwelijksdans. Ze riepen de voorvaderen aan en vertrouwden de Uitverkorene toe aan de oude wijze mannen, en Uitverkorene offerde in hun bijzijn haar aardse lichaam op tijdens een heilige offerdans.
Jean-François werd voortdurend herinnerd aan de Gouden Tak van James George Frazer. Nog niet zo lang geleden had hij daarin met groeiende opwinding gelezen hoe er in verre voorhistorische tijden geen sprake was van een erfelijk koningschap; de vorst werd na een ambstermijn van een jaar om het leven gebracht. Een jaar stemde overeen met de natuurlijke kringloop, de gang der seizoenen – en ieder jaar weer voltrok zich het wonder van de vruchtbaarheid. Alleen uit de winter kon een nieuwe lente ontstaan; alleen de dood stond garant voor nieuw leven. De koning werd beschouwd als een God en offerde zich op, zodat na de winter een nieuwe lente zou aanbreken en alles weer van voor af aan kon beginnen. Net als de natuur had hij een taak te volbrengen en na zijn dood kon meteen de heerschappij van zijn opvolger beginnen, die uiteraard weer een als mens geïncarneerde god was. En zo bleef de continuïteit van zaad tot zaad gewaarborgd, en werden het leven van mens, dier en gewas veilig gesteld.
Later ging men wat vrijer omspringen met het gebruik, dat echter gehandhaafd bleef omdat het nu eenmaal een kwestie van leven of dood betrof. Voor de goddelijke heerser was het ogenblik van zijn offerdood nu aangebroken op het moment dat hij de eerste tekenen van lichamelijke aftakeling begon te vertonen. Vervolgens werd een plaatsvervanger uitverkoren om geofferd te worden; de talloze verhalen over ‘schertskoningen’ die de plaats van de echte vorst innamen, vonden hier hun oorsprong. Zo was ook Prins Carnaval een plaatsvervangende ‘schertskoning’?
Nog later volstond een lentefeest. Le Sacre du Printemps had alles te maken met deze nieuwe verbijsterende inzichten. Het was niet zozeer een ballet, het was een ritueel dat de komst van een nieuwe tijd aankondigde en misschien zelfs mogelijk maakte. De oude wereld moest vernietigd worden, opdat een nieuwe wereld vorm kon krijgen. De première van Le Sacre du Printemps was dan ook niet in de eerste plaats een cultureel evenement of een sociaal gebeuren, het was een politieke daad. Dat had Jean-François dank zij zijn lectuur van The Golden Bough wel begrepen. Hij was dus niet echt verbaasd toen het publiek vlak na de weemoedige opening door de fagot zo heftig begon te reageren. Trage trillende klanken van houten blaasinstrumenten evoceerden het mysterie van de ontluikende natuur, het doek ging op en de dansers verschenen… Een primitieve stam bewoog frenetiek en pulserend op de oudste ritmen van het leven op aarde; onder schel trompetgeschal en een stotend daveren van onherkenbare instrumenten en meedogenloze trommels, sprongen de dansers op en neer in een hartstochtelijke overgave. Ze draaiden hun voeten daarbij naar binnen in plaats van naar buiten, wat indruiste tegen alle conventies van het klassieke ballet. En toen was het begonnen: het fluiten, het joelen, het...
Een deel van het publiek gaf luidruchting lucht aan de mening dat er op deze wijze een groteske karikatuur werd gemaakt van de edele kunstvorm die het ballet moest zijn en blijven. Maar Jean-François begreep heel goed dat ze eigenlijk alleen maar probeerden hun angst voor een nieuwe tijd de baas te blijven. Het was een belediging van de goede smaak, zeiden ze, waarop men met hoongelach hoorde te reageren. Zo zou men niet merken dat zij volkomen uit het lood geslagen en in verwarring waren gebracht.
De bewonderaars van componist Igor Stravinski en de dansers van Diaghilev applaudiseerden, maar terwijl een maagd zich dood danste om de aarde haar vruchtbaarheid terug te geven en de muziek zich steeds intenser en opzwepender toewerkte naar een laaiende climax die alle beloften van het nieuwe tijdperk inhield, begonnen de beledigingen en de klappen over en weer te vliegen.
Eerst merkte Jean-François het nauwelijks op. Er werden visitekaartjes uitgewisseld, waardoor de partijen later in staat zouden zijn elkaar uit te nodigen tot een duel, zodat men mogelijk tot een bevredigend vergelijk zou komen. Een dame uit de betere kringen spuwde iemand in het gezicht, maar het drong pas echt tot Jean-François door wat er om hem heen gebeurde, toen hij zag hoe de oude gravin de Pourtalès recht was gaan staan. Haar diadeem was scheef gezakt en ze wuifde op het hysterische af met haar waaier, terwijl ze uitriep dat het een schande was, dat ze zestig jaar was geworden en dat niemand het tot dusver had gewaagd de draak met haar te steken, en dat ze ook nu niet zou dulden dat...
De rest van haar betoog ging verloren in het kabaal, dat ook de muziek overstemde.
Jean-François wist niet of hij het erg moest vinden dat niemand – behalve de musici en hun dirigent misschien – de muziek nog kon horen. Hier was immers iets heel anders, iets veel groters aan de hand dan de opvoering van een muziekstuk of een ballet. Hij meende een glimp op te vangen van Nijinski die in de coulissen op een stoel stond, met zijn vuisten het ritme sloeg en schreeuwde: ‘Ras! Dwa! Tri!’
‘Waar is de harmonie gebleven?’ huilde iemand. ‘Hoort u een melodie, meneer?’
‘Het is muzikale anarchie!’ riep een ander. ‘Het werk van een ketter die de muziek als kunstvorm wil vernietigen!’
‘Nee, meneer!’ brulde een slappe baret. ‘Dit is muziek van de twintigste eeuw!’
Op de stoel achter Jean-François zat een jongeman, die tijdens het ballet ging staan om beter te kunnen zien. Opgewonden door de muziek, begon hij ritmisch met zijn vlakke handen op het hoofd van Jean-François te slaan, alsof zijn schedel een trommel was. Maar Jean-François was zo overweldigd door de emotie dat hij de klappen niet voelde, ook al omdat ze perfect synchroon liepen met wat hij meende dat de maat van het gebeuren moest zijn – want van louter en alleen muziek kon al lang geen sprake meer zijn. Uiteindelijk draaide Jean-François zich om en greep de trommelaar, die als in trance voor zich uit staarde, bij de polsen. Toen pas leek de jongeman weer tot zichzelf te komen.
‘Het spijt me,’ stamelde hij. ‘Ik liet me meeslepen.’ Er welden tranen op in zijn onuitsprekelijk droeve ogen.
Saint-Saëns verliet verontwaardigd de zaal. Ravel brulde: ‘Geniaal!’ En Nijinski gaf nog steeds dat stampende en stuwende ritme aan: ‘Ras! Dwa! Tri!’
Jean-François voelde zich op een eigenaardige manier volkomen op zijn gemak in de draaikolk. Hij genoot van de strijd die werd gestreden door onhoorbare musici en met doofheid geslagen dansers om in hun muziek en dans een eenheid te blijven vormen met hun onzichtbare choreograaf. Terwijl protesterende dames en heren wild gesticulerend uit het theater verwijderd werden, gingen alle lichten in de zaal weer aan. De uitverkoren maagd voltooide haar vreemde dans van religieuze hysterie op een toneel dat werd verduisterd door de felle lichten in de zaal, begeleid door het raaskallen van een menigte boze mannen en vrouwen. Uiteindelijk dansten de dansers op het rumoer dat door het publiek werd gemaakt, dacht Jean-François – op het klappen in de handen en het fluiten op de vingers.
‘Ecoutez d’abord! Vous sierez après!’ hoorde hij de directeur van het theater vanuit zijn loge gillen. ‘Eerst luisteren! Fluiten kan daarna nog!’
Toen leek de storm langzaam maar zeker te gaan liggen. Het ‘Ras! Dwa! Tri!’ van Nijinski weerklonk lager en trager en het was alsof men het laatste deel van het werk in volmaakte stilte wilde beluisteren, hoewel Jean-François ergens in de verte een hoge schrille fluittoon bleef horen.
Later zou hij zich niets meer herinneren van de rest van het programma; hij zou onmogelijk kunnen beschrijven hoe Les Sylphides, Le Spectre de la Rose en Prince Igor werden ontvangen. Waren deze stukken ook werkelijk opgevoerd? Hij wist alleen dat er plotseling een stem was geweest. Een broze, zwevende, hoge en hese stem… Eerst stelde ook deze stem niet veel meer voor dan een fluittoon, atonaal. Toen vormde de toon een klank en uiteindelijk kon hij in de klank ook woorden ontwaren.
Dat was het moment waarop Jean-François de Saint-Omer werd geboren – waarlijk, en voor het eerst in de eenentwintig jaar dat hij zich over de aarde voortbewoog. Terwijl Nijinski uit de coulissen stapte en met een autoritair gebaar teken deed aan de muzikanten dat zij moesten ophouden met musiceren en aan de dansers dat zij het dansen konden stoppen, werd zijn derde oog geopend. En terwijl de muziek vertraagde, krassend en kakofonisch alsof ze voortgebracht werd door een grammofoon en Nijinski het draaien van de plaat met zijn vinger langzaam maar zeker tot stilstand had gebracht, kon hij de stem van een God horen. De dansers bewogen nu trager, alsof zij door dikke zware luchtlagen moesten waden, om uiteindelijk net als de mensen in de zaal geheel en al te bevriezen in een onmogelijk tableau vivant.
En toen een immense, afwachtende en gespannen stilte was neergedaald over de Elyzeese Velden, en niets of niemand nog bewoog en geen oog knipperde, geen borst op en neer ging, geen zenuwtrek te bespeuren viel… toen was het Nijinski zelf die hem toesprak met de stem van God en zei:

Er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Eerste zijn
als de Prins wordt overmand
door een Zwarte Hand.

Ineens was er weer muziek te horen. Maar het ging niet langer om een thema uit Le Sacre du Printemps en ze werd ook niet voortgebracht door de muzikanten van vlees en bloed die nog steeds roerloos in de orkestbak zaten, wachtend op een teken van dirigent Monteux om hun muzikale beweging te hervatten… Het was muziek die voortgebracht werd door de sferen, door hemelse stemmen – en hij herkende de naar een primitieve melopee zwemende melodie maar al te goed: het was het Credo In Unum Deum Patrem Omnipotentem dat zijn grootmoeder zo vaak had gezongen, en dat nu overgenomen werd door een hemels koor.
‘Ras! Dwa!Tri!’ zong Nijinski – en hij zette een dans in en als iemand hem tijdens die dans had gevraagd of het niet moeilijk was gedurende een sprong zo lang in de lucht te blijven, zou hij die vraag niet eens begrepen hebben, zou hij uiteindelijk misschien alleen op een hoffelijke toon geantwoord hebben: ‘O nee, dat is niet moeilijk. Je springt gewoon omhoog en je blijft daar dan even hangen.’ – Dit perverse genie was het enige dat bewoog op de hemelse koren: een jonge wilde die tweeëndertigste noten telde met zijn voeten, ze een halt toeriep met zijn armen en dan plotseling als verlamd stil bleef staan en humeurig toekeek hoe de muziek voorbijging. En later...

Later, om twee uur ’s nachts, vond Jean-François zichzelf terug in het Bois de Boulogne, terwijl de tranen hem over de wangen stroomden en hij een gedicht reciteerde voor een stuk of wat slappe baretten die er net als hij bij waren geweest toen de oude wereld verging en een nieuwe kosmos uit de chaos ontstond. De jongeman met de droeve ogen was erbij, die – opgezweept door het stuwende ritme – zijn schedel als een trommelvel had gebruikt, en zich vervolgens met trillende stem en bevende handen en tranen in die oneindig droeve ogen had geëxcuseerd.
Jean-François had het gedicht voor hen gereciteerd – voor de jongen in wiens ogen het leed van de wereld leek weerspiegeld te worden, en voor het legertje slappe baretten dat zich om hem heen had verzameld in het Bois de Boulogne. De verzen waren met nerveuze halen neergepend op een vies en verfrommeld programmaboekje van Le Sacre du Printemps:

Er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Eerste zijn
als de Prins wordt overmand
door een Zwarte Hand.

En er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Tweede zijn
als bij Geraards Berg
de Maagd verschijnt.

En ik zie Vier Ruiters rijden
naar de Rand van de Wereld
en er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Laatste zijn

Het gedicht was niet af, wist Jean-François. Hij had de personages gezien in een visioen: de Prins die werd gewurgd door een gigantische Zwarte Hand, de Maagd die op Geraards Berg verscheen, de Vier Ruiters van de Apocalyps die naar de Rand van de Wereld reden. Maar het gedicht was niet af – sommige strofes waren nog blanco gebleven, er moesten nog verzen tussen de regels geschreven worden. Hij had een stem uit de kosmos opgevangen, die hem had verteld hoe en wanneer een Oude Wereld vernietigd zou worden om plaats te maken voor een Nieuwe Wereld, en opnieuw, en opnieuw – een laatste maal. Maar de boodschap was niet volledig. In het gedicht werd bijvoorbeeld niets gezegd over de voortekenen die de Derde Wereldbrand zouden aankondigen, omdat hij ze ook niet in zijn visioen had gezien. Er stond niet voor niets geen punt achter het laatste vers.
Er was hem een blik vergund op de aanloop naar het definitieve Armageddon, die verschrikkelijke Götterdammerung, wanneer de cyclus der seizoen voorgoed een halt zou worden toegeroepen en tijd en ruimte ophielden te bestaan. En toen was hij weer tot zichzelf gekomen, niet in het purperen pluche van het theater van de Elyzeese Velden, maar in het Bois de Boulogne. Zijn derde oog had zich op slag gesloten, hij voelde zich ontheemd – een vreemdeling in een vreemd land, een reiziger die teruggekeerd was in het ouderlijk huis dat hij in een vorige eeuw had verlaten en waar hij niets maar dan ook niets meer herkende.
Door het waas van zijn tranen las hij de boodschap die hij had meegenomen uit die andere dimensie waarin hij heel even had mogen vertoeven. Hij had ze neergelegd in een gedicht en hij wist perfect wat het betekende – maar het gedicht was niet af, en de boodschap was niet volledig. Hij herinnerde zich heel goed wat hij zo duidelijk had gezien alsof het zich voor zijn eigen ogen afspeelde. De Vier Ruiters van de Apocalyps waren vertrokken voor een lange reis naar de Rand van de Wereld… en toen was hij ontwaakt in het Bois de Boulogne.
Of was het juister te stellen dat hij op dat ogenblik opnieuw was ingeslapen?

Geen opmerkingen: