maandag

De Akasha Kroniek

Toen het nieuws over wat er precies gebeurd was eind juni 1914 in Sarajevo langzaam maar zeker begon door te sijpelen, begreep Jean-François de Saint-Omer dat het eerste deel van de profetie in vervulling was gegaan. Een Oude Wereld stond op het punt te verdwijnen voor een Nieuwe Wereld. Als hij al getwijfeld had aan de aard van wat hij had gezien in het visioen dat hem te beurt was gevallen tijdens de opvoering van Le Sacre du Printemps, dan was alle twijfel nu als sneeuw voor de zon verdwenen. Want hij had de jongeman herkend, van wie de foto in de krant stond…
Gavrilo Princip had zich na zijn studies bij het geheime Bosnisch-Servische genootschap van de Zwarte Hand gevoegd. Hij had ook geprobeerd dienst te nemen in het Servische leger, dat op het punt stond Macedonië binnen te vallen, maar men had hem verteld dat hij daarvoor te klein en te zwak was. Toen had Gavrilo Princip zich voorgenomen een daad te stellen die het tegendeel zou bewijzen – Gavrilo Princip, of de jongeman met de droeve ogen die zijn hoofd had gebruikt als trommelvel en voor wie hij later in het Bois de Boulogne zijn visioen in verzen had gedeclameerd, over de prins en de wurgende zwarte hand…
Op 28 juni bezochten de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn echtgenote Sophie de hoofdstad van het door Oostenrijk-Hongarije in 1908 geannexeerde Bosnië. In het naburige Servië herdacht men het einde van de Servische onafhankelijkheid – de dag was dus niet zo best gekozen. Princip en een aantal medestudenten legden de leiding van de Zwarte Hand een plan voor om een aanslag uit te voeren op Franz Ferdinand. Het genootschap reageerde terughoudend, maar bezorgde de groep uiteindelijk toch wapens en cyanidecapsules voor het geval iemand gegrepen zou worden.
Langs de route die Franz Ferdinand zou volgen, stonden diverse leden van de Zwarte Hand klaar om de aartshertog te vermoorden. Er werd een bom in de automobiel gegooid, maar ze stuiterde er weer uit en kwam onder een automobiel terecht waarin enkele officieren zaten. Drie van hen raakten gewond. Gavrilo Princip en zijn handlangers gaven er ontmoedigd de brui aan en dropen af.
Aanvankelijk wilde Franz Ferdinand de dag nog afwerken zoals het was voorzien, maar later veranderde hij van gedachten en gaf zijn chauffeur de opdracht naar het ziekenhuis te rijden om de gewonde officieren te bezoeken. De man nam de verkeerde afslag, waardoor het gezelschap weer oog in oog met Princip kwam te staan. Hij zag zijn kans schoon en vuurde drie schoten af. Franz Ferdinand werd geraakt in de nek, zijn zwangere echtgenote in de buik. Ferdinand en zijn vrouw Sophie overleden ter plaatse, ze lieten drie kinderen achter.
Princip slikte de cyanide die hij meegekregen had, maar het bleek om een verouderde capsule te gaan, waardoor het gif niet meer werkte. Hij werd in de boeien geslagen en in de gevangenis gegooid.
Het was niet alleen een noodlottige samenloop van omstandigheden, maar ook een regelrechte vaudeville: de kroonprins die op de valreep besloot de gewonde officieren te gaan bezoeken, de chauffeur die de verkeerde weg nam en stil bleef staan op de plek waar Princip net uit de kroeg moest komen… Maar de gevolgen waren er niet minder desastreus om. Een maand later verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië. Duitsland eiste in een ultimatum aan Rusland de stopzetting van alle militaire voorbereidingen en in een ultimatum aan Frankrijk opheldering over de Franse houding ten opzichte van een oorlog tussen Rusland en Duitsland. Pogingen van vooral Britse zijde om een oorlog te voorkomen, mislukten. Op 30 juli mobiliseerde Rusland, een dag later Oostenrijk-Hongarije. Op 31 juli mobiliseerde België en werd de Franse socialistische voorman Jean Jaurès doodgeschoten, zowat de meest invloedrijke figuur die zich verzette tegen de algemene stemming in een Europa dat regelrecht afstevende op een gewapend conflict.
Princip was erbij geweest toen Jean-François hem deelgenoot had gemaakt van zijn visioen in verzen… en had zo de Eerste Grote Oorlog weten te veroorzaken, die de Oude Wereld zou vernietigen, zodat een Nieuwe Wereld kon ontstaan.

De dagen van die zomer van 1914 waren lang en zonnig, de nachten zwoel en maanverlicht. Het was een tijd van zeilwedstrijden en doezelige namiddagen en van Europeanen die hun huizen verlieten om hun gevoelens en vooroordelen in het openbaar uit te spreken in de straten en op de pleinen van hun steden en gemeenten. Er hing een kermisachtige sfeer in de lucht, waarin zowel straatredenaars als massahysterie heel goed konden gedijen. In Berlijn, Sint-Petersburg, Wenen, Parijs en Londen kwam het volk massaal op straat om hun politieke en militaire leiders in de richting van een confrontatie te dwingen. Iedereen voelde dat er grote dingen stonden te gebeuren.
En in die sfeer van gespannen verwachting stond Walter Johannes Stein plotseling bij Jean-François aan de deur – een jongeman van zijn leeftijd ongeveer, met een slappe baret op het hoofd en een goudgerand brilletje dat aan een lintje op zijn revers hing te bengelen. Hij had lichtblauwe ogen en een intense blik.
‘U herkent mij wellicht niet,’ zei de jongeman met een zacht Duits accent. ‘Maar ik was erbij in het Bois de Boulogne, toen u de verzen reciteerde over de Prins en de Zwarte Hand… Mag ik binnenkomen?’
‘Natuurlijk,’ zei Jean-François.
Walter Johannes Stein studeerde aan de natuurkundige faculteit van de Technische Hogeschool in Wenen, maar werkte momenteel aan een proefschrift over een filosofisch onderwerp. ‘Het handelt over de hogere niveaus van het bewustzijn en hoe we die kunnen bereiken zonder onze fysieke organen te gebruiken of de biochemie van het lichaam aan te wenden,’ legde hij uit. ‘Zo blijken bijvoorbeeld alle mogelijke kunstuitingen een grote invloed te hebben op de evolutie van het menselijk bewustzijn. Het is ook in het kader van mijn navorsingen dat u mijn aanwezigheid op de première van Le Sacre mag interpreteren.’
‘Ik begrijp het,’ zei Jean-François.
Vervolgens deed Walter Johannes Stein hem het relaas van een gebeurtenis die zich had voorgedaan in augustus 1912, in een oude wijk van de stad, aan de oever van de Donau. In een obscuur boekhandeltje, gespecialiseerd in occulte literatuur, pakte hij een in rafelig leer gebonden negentiende eeuwse editie van Wolfram von Eschenbachs Parsival van een hoge en nagenoeg lege boekenplank.
‘Ah!’ riep Jean-François uit, die nog steeds niet wist waar zijn onverwachte gast heen wilde, maar ondertussen wel bijzonder geïntrigeerd was geraakt door diens plotselinge verschijning. ‘De reine dwaas die een avontuurlijke queeste onderneemt naar de Graal!’
‘Inderdaad,’ zei Walter Stein. ‘Maar wàt is de Graal? Sommigen spreken over een uit de hemel gevallen steen, anderen over een edelsteen uit de kroon van Satan of de kelk waaruit Christus dronk tijdens het Laatste Avondmaal en waarin later zijn bloed werd opgevangen op de Schedelberg.’
Het boek zelf stelde niet veel voor, maar de notities in bloedrode inkt en steeds hetzelfde precieuze handschrift, sneden hem de adem af. Iedere bladzijde was ermee bedekt. Bereidwillig betaalde hij dubbel zoveel als het exemplaar waard kon zijn en met zijn vondst onder de arm wandelde hij naar Demel’s Café aan de Kohlmarkt.
‘Als u ooit naar Wenen komt, moet u dit exclusieve établissement zeker bezoeken,’ zei Walter Stein. ‘Het heeft charmante eikenhouten lambrizeringen, marmeren tafeltjes en het beroemdste gebak ter wereld. Fijnproevers beweren dat het genot van een Crème Grenoble in Demel’s Café tot de grote gebeurtenissen uit een mensenleven moet gerekend worden. En ik kan ze geen ongelijk geven.’
Verstrooid bestelde Walter Stein een koffie en een zacht notentaartje met curaçao en pruimen, waarna hij begon te lezen.
‘Mijn koffie werd koud en het notentaartje bleef onaangeroerd, want de commentaren in de marge… Ik moet u zeggen… Ze waren doorgaans grof, obsceen en hermetisch… Soms leken het pornografische gedichten…’

En de historische hysterica,
de tandeloze bandeloze tante krijt:

‘Vrij met mij! Wrijf je lijf in mij! Er is nog tijd!’
En hij splijt de spleet van de leproze roos

En de ouwe doos bijt.
En hij is zijn kop kwijt.

Of:

Hij heeft ‘m in haar oven geschoven
en nu moet ie d’raan geloven:

Heer Halewijn, geheel de uwe
is de Zwarte Weduwe:

De helse machine
beter bekend als de Guillotine.

‘Er stond iets over een Prins die gewurgd werd door een Zwarte Hand en over een Witte Dame die op een Berg verscheen en de Bergkoning van zijn troon stootte, terwijl ze schrijlings op een Oude Goede God gezeten ook nog eens copuleerde met zijn zoon. Het was niet duidelijk of het om de Zoon van God ging, dan wel om die van de Bergkoning. Nogal wat notities waren tegelijk fanatiek… Germaans – ik kan ze niet anders omschrijven – en antisemitisch. Zo zouden de Graalridders verraad plegen aan hun zuiver Germaans bloed door het smerige bijgeloof van de jood Jezus aan te hangen, dat al even weerzinwekkend en bespottelijk was als het jiddische ritueel van de besnijdenis.’
Walter Stein vroeg zich af welk duister genie verantwoordelijk was geweest voor deze commentaar, toen in de étalage van Demel’s Café, tussen het aardbeienijs met Malagawijn en de schalen met Streuselkuchen, een jongeman met een arrogant gezicht opdook. Twee helblauwe ogen gluurden naar binnen, maar hun gulzige uitdrukking had niets te maken met de lekkernijen, want die keurden ze geen blik waardig. Er hing een losse bruine haarlok over zijn voorhoofd en hij droeg een smalle, kortgeknipte snor die bijna komisch aandeed. De jongeman was gekleed in een veel te grote zware overjas en zijn tenen waren zichtbaar door de scheuren in zijn schoenen. In zijn handen hield hij enkele aquarellen ter grootte van een ansichtkaart, die hij aan de klanten trachtte te verkopen.
Walter Stein hoorde hoe de jongeman – zonder succes – zijn waren aanprees. ‘Ze hebben mij de toegang ontzegd tot de Academie voor Schone Kunsten, maar geef toe…’
Voor het tafeltje van Walter Stein bleef hij staan. Hij duwde de student een schilderijtje onder de neus. Het drong eerst niet eens tot Stein door wat het voorstelde, omdat al zijn aandacht naar de handtekening gezorgen werd, die identiek dezelfde was als deze op het titelblad van zijn beduimelde exemplaar van Parsival.
‘De joden hebben nu ook de School voor Architectuur ingepalmd! Ik zweer het je, voor goede Duitsers als wij breken sombere tijden aan!’
Walter Stein klapte het boek open en legde zijn vinger op een notitie, die hem bijzonder intrigeerde: ‘De queestes naar de Heilige Graal komen in feite neer op een alleen door de Geïllumineerde te decoderen handleiding voor het verwerven van een transcendentaal bewustzijn.’ Hij sloeg de blik op naar de armoezaaier met het belachelijke snorretje en zei: ‘Ik vond uw stelling heel interessant, maar had er wel nog wat vragen bij.’
De jongeman staarde Stein perplex aan en vroeg hem waar hij dat boek vandaan had. Toen Stein hem vertelde waar hij het boek had gekocht, vloekte hij gesmoord en mompelde dat hij zijn vriend nog zo op het hart had gedrukt al zijn boeken te verkopen, maar dit boek niet.
‘Maar misschien wilt u het wel ruilen voor deze schilderijtjes?’
‘Op een voorwaarde,’ zei Stein.
‘En die is?’
‘Dat u me vertelt waar u dat idee vandaan hebt.’
‘Welk idee?’
‘Over de Graalqueestes die een handleiding zouden zijn voor het verwerven van een transcendentaal bewustzijn.’
De jongeman legde Stein stottterend uit dat Wolfram von Eschenbach eigenlijk Anschau bedoelde, als hij schreef dat hij ‘de geschiedenis’ in Anjou gevonden had. Anschau werd vaak foutief gespeld als ‘anjou’. Hij bedoelde er ook geen geografische plaats mee, maar een toestand van hoger bewustzijn. De Kroniek van Anschau was bijgevolg geen verslag van historische gebeurtenissen, maar een kosmische blauwdruk van een hogere tijdsdimensie, waarin heden, verleden en toekomst samenvielen.
‘In de Parsival heb ik dan ook de toekomst gelezen,’ zei de jongeman. ‘Mijn toekomst. Ik weet perfect wat me te doen staat.’

Op 1 augustus verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland, de dag nadien overschreden Duitse troepen de grens van Luxemburg en zond Berlijn een ultimatum aan Brussel. Groot-Brittannië verklaarde Duitsland de oorlog, en terwijl Franse troepen ter hulp snelden, begon de strijd om de forten van Luik. Ondertussen vlogen de oorlogsverklaringen heen en weer. Op 17 augustus capituleerde Luik, op 23 augustus verklaarde Japan de oorlog aan Duitsland en op 24 augustus begon de Slag bij Mons, waar Belgen en Britten werden verslagen, zodat Duitse troepen Frankrijk binnen konden trekken.

Er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Eerste zijn
als de Prins wordt overmand
door een Zwarte Hand.

Jean-François dacht in die dagen voortdurend aan het vreemde verhaal van zijn bezoeker, dat zo wonderlijk aansloot bij de notities die hij in de Parsival had gevonden. ‘We moeten Herr Hitler, stoppen,’ zei hij. ‘Het is duidelijk dat jullie beiden op ongeveer dezelfde wijze toegang hebben gekregen tot de Akasha Kronieken. Hebt u daar ooit van gehoord, meneer de Saint-Omer?’
‘Nee,’ zei Jean-François.
‘Kent u Rudolf Steiner dan?’
‘Ook niet.’
‘Hij was de secretaris van de Duitse theosofen, maar hij heeft zich recent van deze beweging afgescheiden en het Antroposofisch Genootschap opgericht, dat de wijsheid van de mens centraal stelt. Steiner had als kind reeds paranormale gaven, studeerde natuurwetenschappen en vroeg zich af of het mogelijk was om op dezelfde manier de geestelijke achtergrond van de werkelijkheid te onderzoeken. Die gaat immers het normale menselijke waarnemingsvermogen te boven. Hij heeft een merkwaardige visie op de figuur van Jezus Christus en op de Kruisiging. Toen de goden hun macht over de aarde dreigden te verliezen, besloten ze de zonnegeest – Christus – te offeren, die voor dat doel intrad in de mens Jezus van Nazaret. Steiner zou deze informatie gekregen hebben door te “schouwen” in de Akasha Kroniek, een soort geestelijk boek waarin de geschiedenis van de kosmos en de daden van de mensheid zijn opgeslagen. Het is een plaats die buiten tijd en ruimte staat en die vele namen heeft gekregen. In de Bijbel noemen we ze “de eeuwigheid”, in de psychologie “het collectieve onderbewustzijn”. Het begrip komt uit het Oosten en refereert aan een collectief geheugen, een magazijn waarin alle gedachten, emoties en gebeurtenissen worden bewaard vanaf het begin der tijden, en dat voor iedereen toegankelijk is.’
Jean-François had geboeid geluisterd naar de uiteenzetting van Walter Stein. ‘U denkt dus… dat ik een missie heb?’ vroeg hij ten slotte.
‘Op een of andere manier hebt u net zoals Herr Hitler toegang gekregen tot de Akasha Kronieken, meneer de Saint-Omer. U bent nu ook een… Geïllumineerde. Zij zijn het die achter de schermen alle gebeurtenissen sturen. U hebt een glimp opgevangen van de omstandigheden die zullen leiden tot een Eerste, Tweede en Laatste Grote Oorlog. Aan de Eerste Grote Oorlog kunnen wij niets meer veranderen, maar de Tweede kunt u stoppen.’
‘En hoe stelt u zich dat zo voor?’
‘De Maagd mag niet op de Berg verschijnen, en als zij dat toch doet, mag de Bergkoning niet van zijn troon gestoten worden.’

Nadat Walter Stein was vertrokken, had Jean-François nog lang nagedacht over de verbluffende inzichten die de Geïllumineerde hem had aangereikt en over de positie die hij in dit oog van de storm moest aannemen. Jean-François de Saint-Omer had aan Credo gedacht dat weerklonk boven de Elyzeese Velden, toen Nijinski dans en muziek met een autoritair gebaar had stilgelegd en de Akasha Kronieken zich voor hem hadden geopenbaard. De profetie waarvan het eerste deel nu stilaan in vervulling ging, was vol van verborgen betekenissen geweest, van vingerwijzingen, van mystiek en mysterie…
Zijn voorouders langs vaderskant waren bijvoorbeeld afkomstig uit Frans-Vlaanderen, maar zijn grootmoeder langs moederskant was geboren in Geraardsbergen. Net als Walter Johannes Stein was Gavrilo Princip aanwezig geweest bij het Lenteritueel in de Elyzeese Velden. Het toeval bestond niet, Princip had zijn lot aanvaard, zijn toekomst gezien en de Eerste Grote Oorlog veroorzaakt. Diende hij, Jean-François de Saint-Omer, zijn wortels nu te volgen naar hun oorsprong? Werd er van hem verondersteld dat hij bij de Berg van Geraard ging wonen, om daar een Maagd te doen verschijnen, die de Tweede Grote Oorlog kon veroorzaken?
Jean-François de Saint-Omer herinnerde zich nog heel goed hoe zijn grootmoeder ’s avonds, in de zomer, aan zijn bed kwam zitten in de grote donkere slaapkamer die de zijne was wanneer hij logeerde in haar prachtig huis in Geraardsbergen. De scheidende dag en de vallende nacht wierpen een dubbelzinnig licht door de in lood gevatte ruitjes van het ouderwetse venster. En zij zette een eindeloos lange en dieptreurige ballade in, en zong die zeer traag en slepend, zuchtte de woorden bijna. De melodie van het Roomse Credo was eentonig en plechtig en het lied hinkte gebrekkig voort op assonerende rijmen en tweeregelige strofen, waarvan iedere tweede regel werd herhaald als om er meer nadruk op te leggen. En daarna werd dezelfde melodie weer aangeheven, en opnieuw, en opnieuw, en opnieuw…
En het kon geen toeval zijn dat precies op deze melodie Het Lied van Heer Halewijn werd gezongen, want het toeval bestond niet.
Er wachtte hem inderdaad een missie – maar zijn taak zou hij niet volbrengen als hij in Parijs bleef wonen. Zijn opdracht had alleen een kans op slagen als hij naar Geraardsbergen trok.

Geen opmerkingen: