woensdag

De Ballade van Heer Halewijn

Jean-François De Saint-Omer hield op maandag 29 mei 1933, naar aanleiding van de twintigste verjaardag van Le Sacre du Printemps, en voor een uiterst select publiek, een lezing in zijn huis in Geraardsbergen.
Onder de toehoorders bevond zich de literator en stadsontvanger van Ninove, Paul De Mont, een vrijwilliger van de Grote Oorlog die aan het front bij Diksmuide zijn beide benen verloor. ‘De dokters vreesden dat ik gek zou worden,’ had hij ooit gezegd, ‘maar in plaats daarvan ben ik toneelschrijver geworden.’ Zijn oom en literair mentor, de flamingantische dichter Pol de Mont, was een paar jaar eerder overleden in Berlijn en had enkele belangrijke stukken gewijd aan De Ballade van Heer Halewijn, onder meer in het gezaghebbende blad Haagsche Stemmen (1891). Zelf had Paul De Mont sinds 1923 een aantal vermeldenswaardige toneelstukken geschreven, zoals het realistische familiedrama De Spelbreker, of het expressionistische satirische epos Reinaert de Vos.
Paul De Mont was in het gezelschap van Léon Degrelle, de jongeman die in Bouillon was geboren als zoon van een welgestelde brouwer en net was afgestudeerd aan de universiteit van Leuven, waar zijn energieke verschijning en journalistiek talent de aandacht hadden getrokken van monseigneur Picard. Als hoofd van de Assocation Catholique de la Jeunesse Belge vroeg Picard de jonge Degrelle om de leiding over te nemen van de kleine katholieke uitgeverij Christus Rex. Vol overgave wierp Degrelle zich op zijn werk als uitgever en bracht hij allerlei populaire katholieke bladen en magazines op de markt. Hij trok jonge mensen aan van op de universiteit, die zijn militant katholiek geloof deelden en dweepte met de fascisten van Mussolini en de nationaal-socialisten van Hitler.
De lezing van Jean-François de Saint-Omer startte met een wonder en geheimzinnig lied dat gezongen werd door een meisje met schuwe ogen en ontluikende borstjes. Het was de dochter van Jean-François en ze zong de dieptreurige ballade traag en slepend, eentonig en plechtig. En omdat haar naam Salomé was, deed ze er wat aarzelende, gebrekkig hinkende danspasjes bij:


Heer Halewijn zong een liedje klein
en al die dat hoorde wou bij hem zijn.
Dat vernam een koningskind,
die was zo schoon en zo bemind.

Zij ging voor haar vader staan:
‘Vader, mag ik naar Halewijn gaan?’
‘Nee, dochter! Nee, gij niet!
Die daar gaan, die keren niet!’

Zij zette zich schrijlings op ’n ros,
zingend en klingend reed zij door ’t bos.
Toen zij halverwege ’t bos mocht zijn:
daar zag zij Heer Halewijn.

‘Gegroet,’ zei hij, en kwam tot haar.
‘Gegroet, schoon maagd, bruin ogen klaar!
Vermits gij de schoonste maagd zijt,
kiest dan uw dood, het is nog tijd!’

‘Wel als ik dan mijn dood kiezen zal,
dan kies ik nog voor het zwaard bovenal.
Maar trek eerst uit uw opperkleed,
want maagdenbloed dat spreidt zo breed.’

Maar eer zijn kleed getogen was,
zijn hoofd lag voor zijn voeten ras.
Zij nam het hoofd bij het haar
en waste het in een bron zo klaar.

Toen zij aan haar vaders poorten kwam,
blies zij de hoorn als een man.
Er werd gehouden een banket.
Het hoofd werd op tafel gezet.

Dames en heren,

In 1848 verscheen de eerste gedrukte versie van Heer Halewijns noodlottige ontmoeting met de bloedmooie koningsdochter in de bundel Oude Vlaemsche liederen van Jan Frans Willems. Klassieke interpretaties van het lied gaan ervan uit dat Halewijn land en volk aantast in hun vruchtbaarheid: de vrouw. En dus zal ook de vrouw, een koningsdochter, het land van Halewijn verlossen. Haar daad heeft het sacrale karakter van een offer. Tegelijk beseft de koningsdochter dat ze de toverkracht van Halewijn kan breken en het monster onschadelijk maken met zijn eigen wapens. Niet Halewijn zal haar lokken, zij zal hem lokken. Zingend rijdt ze dan ook door het bos. En wanneer ze in haar opzet slaagt, keert ze met zijn hoofd als trofee terug naar huis.
Sir James George Frazer leert ons in zijn onovertroffen meesterwerk De Gouden Twijg dat dit verhaal zowel een Germaanse als een Keltische oorsprong heeft. Het blazen op de hoorn heeft voor de Germanen bijvoorbeeld de mystieke betekenis van de levenskring: wat vergaan is in de dood, wordt tot nieuw leven gewekt. De hoorn kan geassocieerd worden met de ‘midwinterhoorn’, waarop – naar een oud volksgebruik – gedurende de vier weken voor Kerstmis wordt geblazen. Het meenemen van het hoofd lijkt dan weer op een Keltische invloed te wijzen, aangezien de Kelten worden beschouwd als koppensnellers, voor wie het bezit van iemands hoofd gelijk staat aan het bezit van zijn krachten en talenten. Daarom moet het een ereplaats krijgen aan de feesttafel – al kan dit ook een latere toevoeging zijn die te maken heeft met de trieste geschiedenis van Johannes De Doper. U weet wel, de verderfelijke Salomé zal zijn hoofd eisen van Herodes, in ruil voor haar dans.

Dames en heren,

Ik heb er het werk van de Oostenrijkse zenuwarts Sigmund Freud op nageslagen. Voor hem is het hoofd van Halewijn een substituut van de fallus en bezit de anonieme maagd een ‘vagina dentata’, oftewel: ‘een getande vagina’. Na de paringsdaad moet zij, net als zekere spinnensoorten, de geliefde verslinden. In oeroude tijden was de straf voor incest castratie; in sommige varianten van het verhaal is Halewijn dan ook de broer of de natuurlijke vader van het meisje.
Vorige keer heb ik u het voorspellende visioen geschetst dat mij te beurt is gevallen tijdens de première van Le Sacre du Printemps. Ik hoef u dus niet meer te vertellen dat de Grote Oorlog die wij meemaakten in deze profetie werd aangekondigd en dat het de eerste van drie was – ‘Ras! Dwa! Tri!’ huilde Nijinski! – waarmee telkens een Nieuwe Wereldorde tot stand kwam. Het visioen waarover wij het vorige keer hadden, ging vergezeld van het Credo waarop mijn grootmoeder zo vaak de Ballade van Heer Halewijn heeft gezongen – dit lied over een archaïsche zanger van lokkende toverliederen. Vrouwen vallen willoos neer aan de voeten van deze dolgedraaide don Juan, die de bezweringsformule van de kunst hanteert om een tijdelijke bevrediging te verwerven. Na een kort maar ongemeen heftig liefdesspel worden zij gedood, behalve dit ene meisje dan, deze maagd die – hoe minnedriftig ook – voor de rest vrijwel normaal mag worden genoemd.
‘Welke diepere betekenis gaat hierin schuil?’ zult u mij vragen. Welnu, dames en heren, wij moeten beseffen dat een profetie als deze die mij te beurt is gevallen, ons bereikt in een codetaal die op twee niveaus moet worden begrepen: enerzijds dient zij beluisterd te worden met de oren van de dag en van de ratio, anderzijds met de oren van de nacht en van de droom, die allerlei toespelingen voor ons verbergt. Pas wanneer alle analogieën zijn ontdekt, alle associaties uitgeput, zullen wij erin slagen dit visioen volledig te interpreteren en ten volle te doorgronden.

En er zal een Grote Oorlog komen
en het zal de Tweede zijn
als bij Geraards Berg
de Maagd verschijnt.

De tijd is rijp voor een Nieuwe Wereldorde, die de continuïteit van het leven op deze aarde moet waarborgen en door een Tweede Grote Oorlog zal worden ingeluid…
Ik zie, mijnheer De Mont, dat deze woorden niet stroken met uw pacifistische overtuiging. Het zij zo.
En u, mijnheer Degrelle, vraagt zich af of het startschot van deze Tweede Grote Oorlog dan werkelijk in Geraardsbergen moet weerklinken, waar mijn grootmoeder werd geboren die mij als kind zo vaak het sprookje van Heer Halewijn heeft voorgezongen op de tonen van het Credo… En ik zeg u: jazeker meneer Degrelle, zal het startschot in Geraardsbergen gegeven worden. Want een profetie en het toeval gaan nu eenmaal nooit samen, hoe ongelooflijk dit alles soms ook lijken mag. De goden dobbelen immers niet!

Dames en heren,

Halewijn moest op een rituele wijze gedood worden, opdat zijn vergoten bloed nieuw leven zou scheppen. Zijn hoofd werd tijdens het banket op de ereplaats gezet; zijn lichaam werd op die manier een offergave, zijn onthoofding een vruchtbaarheidsritueel. In bepaalde prozaversies doet het bloed uit zijn wonden zelfs het dorre woud herleven, of zijn het de ledematen van een god die door de maagd worden geofferd. Sir James George Frazer heeft het in dat verband over het Osiris-thema: de rituele moord brengt een reorganisatie van de wereld tot stand. Chaos wordt kosmos, een nieuwe wereld groeit uit de restanten van de oude.
De cultus rond Osiris, die door de Grieken werd geassocieerd met hun god Dionysus, kwam pas in de vierde eeuw na Christus onder invloed van het christendom tot verval. Tegen deze Egyptische koning werd door zijn broer Seth een moord beraamd. Toen hij van een wereldreis terugkeerde, nam Seth in het geheim de maten van Osiris’ lichaam en liet hij een kist vervaardigen die exact beantwoordde aan deze afmetingen. Tijdens een banket schonk Seth de kist aan de gast wie ze het best zou passen. Osiris stapte in de kist, Seth sloeg ze dicht en liet ze vlak bij Memphis in de Nijl gooien. De kist spoelde aan op het strand van Byblos, waar ze na een lange queeste door Osiris’ gemalin Isis werd opgespoord en gerepatrieerd. Seth hakte ze prompt in stukken, die hij over het hele land verspreidde. Geduldig zocht Isis de lichaamsdelen van haar echtgenoot bij elkaar en begroef ze stuk voor stuk – behalve de fallus, die ze nergens kon vinden. Sommigen beweren dat zij de dode Osiris opnieuw tot leven wekte door middel van magische incantaties; anderen houden het erbij dat Osiris op eigen kracht opstond uit de onderwereld om Seth te straffen. Sindsdien werd de voormalige koning vereerd als de Heer van het Westen, het rijk van de dood, de onderwereld.
De castratie en de incestueuze relatie van Osiris met Isis, die tegelijk zijn zuster en zijn echtgenote was, keren duidelijk terug in de ballade van Heer Halewijn – ook een Heer van het Westen. Belangwekkend hierbij is, dat de verering van Isis en Osiris in het oude Egypte werd geassocieerd met de jaarlijks terugkerende overstromingen van de Nijl, die het land telkens weer ‘vernieuwden’. De aanbidders van Osiris zochten in zijn verschijning trouwens ook een belofte voor hun eigen verrijzenis uit de dood, en dus voor het eeuwig leven.
De lectuur van The Golden Bough leert ons, dames en heren, dat er een duidelijke parallel bestaat tussen de mythe van Osiris en die van Orfeus – net als Heer Halewijn een archaïsche zanger van lokkende toverliederen. De mooie Euridike maakt hem zielsgelukkig… tot zij sterft aan een adderbeet. Treurend daalt de zanger af in de onderwereld, om Hades te smeken hem zijn geliefde terug te geven. Ontroerd door zijn muziek stemt Hades toe, op voorwaarde dat Orfeus onderweg nooit achterom zal kijken. Overmand door twijfel kijkt de zanger toch om… en verliest Euridike voorgoed.
Drie jaar later zit hij nog steeds eenzaam op een heuvel, omringd door de eveneens rouwende dieren uit het woud. Ook de bacchanten horen zijn treurzang. In woeste opwinding vieren zij het feest van Bacchus. Ze haten de minnezanger verschrikkelijk, omdat hij sinds de dood van Euridike van geen liefde meer wil weten. Maar wanneer ze hem bekogelen met stenen, dwingt hij de projectielen door de kracht van zijn lied aan zijn voeten neer te vallen. Hierop overkrijsen zij de muziek, zodat ze er uiteindelijk in slagen hem te stenigen.
De nimfen nemen zijn verminkte ledematen op om ze te begraven. Zijn hoofd en zijn lier worden door de rivier Hebros en de zee naar het strand van Lesbos gevoerd, waar ze een laatste rustplaats vinden. Ondertussen zweeft Orfeus’ ziel omlaag naar het schimmenrijk, waar hij zijn geliefde Euridike eindelijk mag weerzien. Voortaan zullen ze nooit meer gescheiden worden.

Dames en heren,

Krijgt u zo stilaan het gevoel dat alles eindelijk in zijn plooi begint te vallen? Sir James Frazer en The Golden Bough, Le Sacre du Printemps en het visioen dat mij werd geschonken, het Credo, de ballade van Heer Halewijn… Het zijn allemaal stukjes van dezelfde puzzel, het is chaos die wij tot kosmos moeten maken! Ziet u al hoe zich een patroon aftekent? Begint u het verband tussen deze schijnbaar disparate elementen te ontwaren? Laten de scherven zich al aan elkander lijmen tot één groot betekenisvol geheel?
Of zal ik u nog een zetje geven?
Welnu… Orfeus, moet u weten, heeft zijn naam ook geleend aan het orfisme, een vrij gesofisticeerde cultus die stelt dat de mens een onsterfelijke, immateriële ziel bezit, gevangen in een materieel lichaam. De enige ware bestemming van de ziel ligt in een terugkeer naar de goddelijke oorsprong, die we pas kunnen bereiken als de ziel zich bewust wordt van haar ware natuur. Een strakke discipline dient de ziel bijgevolg te bevrijden uit haar gevangenis. Een bekend orfisch gezegde luidt dan ook: ‘Het lichaam, een tombe.’
Vanaf de zesde eeuw voor Christus ontwikkelden de orfische mystici een doctrine waarin een positieve visie gegeven werd op de onsterfelijkheid. Het rijk van de dood werd niet langer bewoond door beklagenswaardige schimmen, integendeel: de Elyzeese Velden waren vervuld van een heldere schittering, omdat zij een rustplaats vormden voor de pure geesten, die het genot mochten smaken van een eeuwig geluk. De doden werden niet meer omlaag gesleurd, een duistere onderwereld in, maar stegen omhoog, de ogen op de hemel gericht.
Ziet u, dames en heren? Wat mij is overkomen in ‘de Elyzeese Velden’ – hoe mijn immateriële ziel werd bevrijd uit haar tombe en opsteeg om in die andere dimensie, met dat transcendente bewustzijn, met de ogen en de oren van de nacht de Geschiedenis te zien… Het was een Goddelijke Boodschap die tot mij kwam en ik werd Mozes die de Stenen Tafelen van de Wet mocht ontvangen… Mij werden de Tekenen getoond die het verdwijnen van de Oude Wereld en het verschijnen van een Nieuwe Wereld aankondigen. Ik heb gezien, dames en heren, welke voorwaarden vervuld moeten worden en welke stappen dienen genomen om een Nieuwe Wereld te bouwen op de puinen van de Oude…
Uiteraard is deze oeroude occulte kennis alleen voor de ingewijden weggelegd, dames en heren. Voor de Geïllumineerden. Maar wat houdt u tegen om uw pad, even goed als het mijne, door deze mystieke wetenschap te laten verlichten? Laat mij uw gids zijn op onze weg door de geschiedenis, dames en heren, en wij zullen de wereld in onze hand houden!
Het orfisme, moet u weten, is slechts één van de vele mysterie-erediensten die ongeveer op hetzelfde tijdstip de kop opstaken. Osiris die werd verscheurd en weer tot leven gewekt, de god Mithra die – bij de Perzen, Indiërs, Romeinen en Grieken – een stier offerde om de mensen te scheppen, Apollo of Dionysus die als zoon van Zeus op aarde waren afgedaald, geleden hadden, gestorven en weer verrezen waren…

Dames en heren!

De breuk van het orfisme met de oudere godsdiensten werd onder meer veroorzaakt door de nieuwe betekenis die de mysteriecultus gaf aan ‘het offer’. Waar het er voordien haast uitsluitend om te doen was geweest een hongerige of toornige god te voeden om bij hem in het gevlij te komen, ging het nu veeleer om een herstel van het goddelijke door de godheid zelf, die zich aan de dood had overgegeven. Het enige doel van die overgave was, van binnenuit de dood uit te hollen en ten slotte te doden. Zo zorgden de goden van het orfisme – Osiris, Mithra, Apollo, Dionysus, Orfeus – voor de onsterfelijkheid van hun volgelingen, op voorwaarde dat zij tijdens hun leven de rituele dood aanvaardden en er wezenlijk de zin van begrepen.
Een tweede breuk lag in het feit dat de mysterieculten een credo bezaten in de christelijke zin van het woord: zij geloofden dat er bepaalde mysteriën bestonden, die slechts geopenbaard konden worden aan degenen die door speciale ceremoniën ingewijd waren in een intieme kring van discipelen. De ingewijden vormden een gesloten, bijna geheime gemeenschap.
Le Sacre du Printemps is een dergelijke ceremonie geweest, dames en heren. Misschien hebben de participanten het op dat moment niet beseft, ikzelf heb er toen ook niet het flauwste benul van gehad – maar het is een feit dat mij daar in dat Theater van de Elyzeese Velden, gedurende de opvoering van het Lenteritueel, een mysterie werd geopenbaard dat ik pas nu min of meer begin te doorgronden.
De cultus van Osiris, Mithra of Orfeus heeft, grotendeels vanuit het oosten, in de loop van de late republiek en het vroege keizerrijk Rome bereikt. De ingewijden werd een beter leven in het hiernamaals beloofd, zodat vooral de arme en onderdrukte elementen in de Romeinse samenleving werden aangesproken. Vanaf de Gallische Oorlogen van Caesar tot het doopsel van de Frankische koning Clovis, op Kerstdag 496, vormden de Lage Landen een religieus slagveld waarop verschillende systemen, secten en culten met elkaar geconfronteerd werden. Tijdens de Romeinse overheersing deden missionarissen hun uiterste best, maar wat zij met zoveel geduld hadden opgebouwd, werd vernietigd door de invallen van de Germanen. Pas in de achtste eeuw leek het pleit definitief ten gunste van het christendom beslecht. Daarmee waren de ‘heidense afgoden’ echter nog lang niet vergeten…
Orfeus was een van de belangrijkste figuren geworden in het oosterse pantheon van de Romeinen, praktisch de gelijke van Mithra. Het mithraïsme was de voornaamste tegenstander van het jonge christendom en zou vooral in het zuidelijk deel van het huidige Frankrijk ingang vinden, terwijl Orfeus en het orfisme de bovenhand haalden bij de Romeinse legioenen van het noorden. Tussen de ijzige dood van de Scandinavische goden en de zegevierende dood van Jezus Christus kwam op die manier het orfische geloof in een heiland te staan, die in duisternis of in licht was gehuld, naargelang hij afdaalde in het dodenrijk of uit zijn eigen graf herrees.
Tijdens de vierhonderd jaar durende Romeinse overheersing namen de Galliërs uit het noorden schijnbaar zonder al te veel strubbelingen de beschaving en de zeden van hun overwinnaars over. De autochtone kunst ontleende zelfs heel wat van haar thema’s aan Rome: hier een kleine staande Apollo die een lier in de handen houdt (als het tenminste niet Orfeus is), daar een Mercurius met zijn staf en zijn vleugels, een Diana, een Minerva, een Hercules.
Toen het christendom de Romeinse goden had onttroond, slaagde het er niet meteen in de bijzondere cultusvormen te doen verdwijnen. Later vond men deze praktisch ongewijzigd terug bij bepaalde broederschappen, die met zorg aan het oog onttrokken werden. Zeven eeuwen waren er nodig geweest om ons volk te kerstenen en tot in deze twintigste eeuw zal het christelijk geloof vermengd blijven met overtuigingen die men niet al te haastig als bijgeloof mag bestempelen.
Heidense praktijken werden echter niet alleen verboden, soms werden ze ook doodgewoon geannexeerd. In zekere gevallen werden nog levende oude godheden zelfs als het ware ‘geperverteerd’ in een van de talloze nieuwe duivels en demonen. Iets dergelijks is Mithra en Orfeus te beurt gevallen.

Dames en heren…

Is het een toeval dat de ballade van Heer Halewijn, dit visioen van barbaarse, in geen schoolhandleiding beschreven zeden, precies op de naar een primitieve melopee zwemende melodie gezongen wordt, die oorspronkelijk tot de Romeinse liturgie behoorde? En waarop de oorspronkelijke Latijnse tekst het geloof in één enkele, almachtige God plechtig en steeds opnieuw herhaalde… en herhaalde… en herhaalde?
Nee. Natuurlijk is dit geen toeval. De goden dobbelen niet.
Wat mij is overkomen in de Elyzeese Velden, houdt niet alleen een belofte in, maar ook een opdracht. Ik werd ‘geroepen’ om een grootse taak te vervullen, om de geboorte van een Nieuwe Wereld mogelijk te maken. Ik heb de Tekenen gezien, en het orfisme heeft mij een kader gegeven waarbinnen deze Tekenen kunnen worden geïnterpreteerd… Het is nu mijn missie, dames en heren, deze boodschap uit te dragen in de wijde wereld en medestanders te vinden die samen met mij de oude cultus van het orfisme nieuw leven willen inblazen om zo de Nieuwe Wereld vorm te geven op de puinen van de Oude…
Ik dank u.

Geen opmerkingen: