dinsdag

Marche-les-Dames

UIT EEN TRANSCRIPTIE VAN EEN VISIOEN VAN SALOMÉ DE SAINT-OMER (H. DE ROOSE):

De winter wil niet weten van wijken… Zeventien februari vierendertig en de winter wil niet weten van wijken. Bomen sterven staande, het land is dood en je vraagt je af of het nog ooit tot leven zal komen. De dag slaagt er niet in door te breken en de nacht valt te vroeg in februari. Je vraagt je af of het nog ooit lente zal worden. Of het altijd zo grijs en kil moet blijven. Of alles altijd grijs en kil zal blijven.
Ik zie de koning vertrekken zonder de koningin – zijn kamerknecht zit naast hem – en ik vraag mij af: ‘Waar is de koningin gebleven?’ Ik ga op zoek naar haar, ik loop door de gangen en kamers, door de galmende zalen van het paleis en ik vind de koningin in haar bed. Ze wordt weer geplaagd door haar lumbago.
Ik zie de koning vertrekken zonder de kroonprins – zijn kamerknecht zit naast hem – en ik vraag mij af: ‘Waar is de kroonprins gebleven?’
‘Hij verblijf in een ver land,’ zegt de koningin. ‘De toppen van de bergen van dit land zijn bedekt met de eeuwige sneeuw.’
De lucht is koud, maar droog. Ik vraag mij af of de mist nog ooit zal optrekken. De mist boven de bergen van de eeuwige sneeuw.
‘Ze noemen hem niet voor niets de Bergkoning,’ hoor ik mijn vader zeggen. ‘Er zal een Witte Dame op Geraards Berg verschijnen die hem van zijn troon stoot, terwijl zij schrijlings op een Oude Goed God zit en tegelijk copuleert met zijn zoon.’

UIT EEN INTERVIEW VAN SALOMÉ DE SAINT-OMER (AFGENOMEN DOOR L. GROENENDAAL):

SDSO Hoor je het ook, Lisa? Waar komt die muziek vandaan?
LG Muziek? Ik hoor niets… Hadewijch?
HDR Ze hoort er nu eenmaal altijd muziek bij… Zij alleen…
SDSO Het is net of ik muziek hoor… Geen dansmuziek, geen marsmuziek… Hoor je het ook?
HDR Nee juffrouw, Lisa hoort niets.
SDSO Zou dit Wagner kunnen zijn? Nee, het is Wagner niet. Geen Götterdämmerung vandaag. En toch herken ik de melodie. Herken jij de melodie dan niet, Hadewijch? Hoewel een dans vooral door het ritme bepaald wordt, natuurlijk… Dat stampende, dat stuwende ritme. Herken je die trage, die trillende klanken dan niet? Ik hou erg veel van muziek. Hou jij van dansen, Lisa? Het lichaam van de danseres moet als het ware het onluiken van het mysterie der natuur suggereren. Een dans brengt leven in een doods landschap. In oeroude tijden, dansend op primitieve muziek, brachten wij leven in een doods landschap… Ik ben er zeker van dat ik deze melodie eerder heb gehoord. Was het in Wenen? Was het Berlijn? Was het Londen, misschien? Ach, door het vele reizen worden alle plaatsen één. Ah, Paris qui s’éveille!... Waar zou het in godsnaam geweest kunnen zijn? Laten we zeggen: achtentwintig mei negentienhonderd dertien. Stravinsky. Laten we zeggen: Igor Stravinsky. Le Sacre du Printemps.
(…)
Ik zou het echt niet meer weten.
(…)
Memoires… Ik zou ze moeten verzinnen. Te veel steden gezien, te veel gezichten. Ze zijn allen één geworden. Een verhaal dat steeds opnieuw wordt verteld. De regisseur heeft het decor aangepast en de oude acteurs vervangen door nieuwe. Maar het stuk is onveranderd. Je kunt hooguit op zoek gaan naar de auteur. Hij is het enige raadselachtige personage in de hele geschiedenis.
(…)
Je zou mijn memoires moeten schrijven, Hadewijch. Want ik kan het niet meer. Mijn handen al te zeer en mijn herinneringen… vervangen…
(…)
Maar zie mij nu bezig. Dit is onzin. Begrijpelijk, dàt wel. Maar onzin. Begrijpelijke onzin, dàt wel. Je probeert de angst weg te dansen. De angst voor een nieuwe tijd, als de oude hemel en de oude aarde opgehouden hebben te bestaan. Je beseft maar al te goed wat er te gebeuren staat. Hij is zopas vertrokken en er is geen terugkeer mogelijk. Rechtstreeks naar de Oude Goede God is hij gegaan. Hij is vrij tot acht uur – dan moet hij in het Sportpaleis een trofee overhandigen aan de winnaar van een wedstrijd. Het is een rustige en ontspannende dag geweest en dat hoort zo te blijven. Hij zal daar alleen zijn… Met hààr. Waar de rivier omzoomd wordt door steile rotswanden met spitse toppen. l’Inaccessible, le Vieux Bon Dieu. Ze zijn niet hoog, maar wel moeilijk te beklimmen. Voor een doorgewinterd alpinist vormen ze een aantrekkelijk oefenterrein.
(…)
Op een stralende zomerdag moest hij eens een plechtigheid bijwonen. ‘Het is mooi weer,’ zei hij. ‘Er zullen wel niet veel mensen komen.’ Maar er kwamen wél veel mensen. Erg veel. En ze juichten hem geestdriftig toe. ‘Och,’ zei hij toen, ‘als men mij naar het schavot had geleid, zouden er net zoveel mensen op af gekomen zijn.’ Hij was niet voor niets de koning-soldaat. Dat soort volk sterft niet in bed.
(…)
Daar heb je Stravinsky weer. Le Sacre du Printemps. De première ontketende bijna een opstand in de schouwburg.
‘Muzikale anarchie,’ zeiden ze. Weg met harmonie, melodie en structuur!
‘Het werk van een ketter,’ zeiden ze, ‘die de muziek als kunstvorm wil vernietigen!’
En wat zei het publiek? Het publiek zei niets.
Het brulde uitdagend. Het floot op de vingers. Het lachte honend.
Een jongeman was zo opgewonden dat hij ritmisch begon in te beuken op een man die voor hem zat en Saint-Saëns verliet verontwaardigd de zaal.
Ravel schreeuwde: ‘Geniaal!’
Nijinski sloeg het ritme met zijn vuisten, want door het rumoer konden de dansers de muziek niet meer horen: ‘Ras! Dwa! Tri!’
Hij had de choreografie verzorgd en stond in de coulissen en brulde wanhopig: ‘Ras! Dwa! Tri!’

UIT EEN TRANSCRIPTIE VAN EEN VISIOEN VAN SALOMÉ DE SAINT-OMER (H. DE ROOSE):

En daarna, in volle zomer… de kanonnen van augustus! De verwoeste gewesten! Mijn vader wist dat ze al hun duivels zouden ontketenen in augustus! Hij had het opgeschreven in een profetie en ik ben zo bang! Ik ben zo bang dat wat vooraf geweten wordt en opgeschreven… Hebben wij te maken met een toekomstvoorspelling of met een toekomstplan? Ik ben zo bang dat de toekomst niet zomaar zijn gang gaat, maar dat wij de dingen die we hebben voorzien, verzonnen of opgeschreven – omdàt we ze hebben voorzien, verzonnen of opgeschreven – doén gebeuren. Zélf… dóén… gebeuren!...
‘Voorwaar, ik zeg u: één van u zal mij verraden. Die is het, voor wie ik het stuk brood indoop en wie ik het geef!’
En waar komt toch die muziek vandaan? Ze hebben hem gewaarschuwd, maar toch is hij vertrokken. Het is vier uur en de nacht valt vroeg in februari.

‘Je weet wat je te doen staat,’ zegt mijn vader. ‘Je kunt niet anders. Ieder speelt zijn rol, ieder krijgt zijn deel. Dertig zilverlingen. Opdat de Schriften van de profeten in vervulling zouden gaan. De verrader en de held. Judas Iskariot, Jezus Christus. Zonder verrader geen held. Wat zou Jezus geweest zijn zonder Judas? Zeg mij, wie is de wàre verrader? Wie is de wérkelijke held?’
In mijn droom zie ik hoe hij zijn wagen parkeert op een veldweg – zijn zwarte Ford cabriolet. Hoe hij lenig uit de wagen springt – mannelijk, koen, ridderlijk.
Hij eet iets in de herberg waar hij gewoonlijk komt, hij zal nog net de tijd hebben om haar te nemen…
l’Inaccessible.
‘Ik blijf maar een uurtje weg,’ zegt hij tot zijn kamerknecht. ‘Want de avond valt vroeg in februari en er zijn maar twee wegen – een moeilijke en een gemakkelijke. Als het te lastig wordt, neem ik de snelle route! Mon Vieux Bon Dieu!’
Hij neemt zijn touwen mee, zijn alpenstok. Hij zal zich om vijf uur opnieuw bij zijn kamerknecht voegen die op hem moet wachten, op de afgesproken plek, in de wagen, in de zwarte Ford cabriolet.
En de knecht wacht. En de Witte Dame wacht. En hij wacht op de Witte Dame. Want wachten wij niet allen op verlossing?
‘En daar verschijnt ze dan,’ fluistert mijn vader. ‘Ze is zo wit tegen het zwart van de nacht, mijn Witte Dame. Dans voor hem, mijn lieve Maagd van Geraards Berg. Stenig hem, mijn kleine Salomé.’
En een steen laat de rots los en sleurt hem mee in zijn val. Ik zie hem de wand van de rots raken en de helling afrollen. Daar gaat zijn pet, daar volgt zijn bril, daar ligt zijn rugzak al.
En de knecht wordt ongerust belt het paleis. En men komt de Bergkoning zoeken. En men vindt hem aan de voet van de Schedelberg, op de rug, de ogen open, star op de sterren van de hemel gericht.
‘En zo zal het dan volbracht zijn,’ fluistert mijn vader.
***
Time Magazine schreef dat er meer klokkentorens waren in België dan in welk ander land ook in Europa, en dat de volgende ochtend in ieder dorp, in elke stad de zwaarste klokken in alle torens gingen luiden. De laatste keer dat ze zo klonken, was in 1914 geweest. Nu luidden ze niet om het begin van de volgende oorlog aan te kondigen, maar het overlijden van een van de grootste helden van de vorige.
Albert, koning van de Belgen, was dood.

Salomé droomde dat men de koningin pas bij het aanbreken van de dag op de hoogte zou brengen van het nieuws: ‘Vreeswekkend was het. Toen zij vernam dat hij reeds was afgelegd, ontstak zij in woede. Zoveel stervenden had zij gezien, zoveel soldaten de laatste zorgen geschonken. Ze begreep niet waarom men haar verhinderde bij de soldaat die haar het dierbaarste was hetzelfde te doen. En zij plukte lelies en strooide ze op zijn doodsbed.’

Time Magazine beschreef hoe de koning opgebaard lag in het kasteel van Laken, in zijn eigen eenvoudige slaapkamer. Een wit verband was rond zijn hoofd gewikkeld en hij droeg zijn olijfkleurige generaalsuniform. Op zijn borst lag het purperen lint van Grootmeester van de Leopoldsorde. In zijn handen hield hij een ivoren kruisbeeld. Het rozenhouten bed was overdekt met witte lelies. Twee gele kaarsen brandden aan zijn voeten, twee nonnen zaten in hun zwarte habijten te bidden aan zijn hoofd. Op het nachtkistje tikte zijn klok de seconden weg.
Albert van België was een Duitse prins die huwde met een Duitse prinses. Op 31 juli 1914 verwierp hij de eis van zijn koninklijke neef Wilhelm II om Duitse troepen over Belgisch grondgebied vrije doorgang naar Frankrijk te geven, en wat daarna gebeurde, was geschiedenis. De hele wereld bewonderde hem als een van de grote helden van de twintigste eeuw. Hij was groot en knap en de enige Europese koning die persoonlijk het bevel op zich had genomen van zijn troepen en met hen in de loopgraven had gevochten.
‘Ik luisterde naar de generaals,’ zei hij ooit tot de Franse maarschalk Joffre. ‘Het was een zware verantwoordelijkheid te moeten kiezen tussen hun verschillende plannen, dus koos ik er het plan uit dat me het verstandigste leek.’
Met zijn eigen handen schoot hij een chauffeur neer die hem had verraden en hem probeerde te ontvoeren naar de Duitse linies. Toen zijn eigen zoon Leopold dertien jaar was geworden, deed hij hem als soldaat dienst nemen in het leger, opdat hij aan den lijve zou voelen hoe zwaar de taak van een koning was.
Na de oorlog werd hij beroemd vanwege zijn eenvoudige levenswandel. Hij nam de bus zoals iedereen en als hij zijn geliefde sport uitoefende, het bergbeklimmen, deelde hij zijn sandwiches met de gidsen.

Twee dagen lang kreeg het volk de tijd om het stoffelijk overschot van zijn koning de laatste eer te bewijzen. De ontroering was immens, urenlang diende men aan te schuiven in kilometerslange files.
Salomé droomde over de dag van zijn begrafenis. En dat het ijskoud was. En somber.
‘Voor het paleis plaatste men de kist op een affuit. Rondom de dode koning stonden de leden van zijn staf. Daarachter defileerden zijn soldaten – en het waren niet de soldaten uit het huidige leger, maar die van de Grote Oorlog. Het waren de ouwe trouwe metgezellen van de afgestorvene, met hun oude vlaggen en hun oude medailles op hun oude burgerkleren.’
Zevenenzeventigduizend waren er. En ze marcheerden zonder enig bevel in de pas, zonder muziek. En ze namen afscheid van hun koning en van hun jeugd en van hun roemrijk tijdperk toen eer en glorie nog de plaats innamen van passief genot.
Niet zonder angst stelden zij vast dat hun tijd voorbij was, dat zij rijpe mannen geworden waren.
‘Werklieden. Notarissen. Handelaars. Ambtenaren.’
Misschien zouden zij nu voor de laatste keer zo samen zijn met z’n allen en schouder aan schouder staan, precies zoals toen in de loopgraven.
‘En zij zochten steun bij elkaar en zo stond de hele dag in het teken van de herinnering en de droefenis. En de kerkdienst verliep in eenzelfde atmosfeer van ontroering en verbondenheid.’

De kranten en de radio brachten verslag uit over de begrafenis. Hoe de rouwstoet iets voor elf
uur het koninklijk paleis verliet onder het gelui van de doodsklokken van de Sint Jacob-op-de-Koudenbergkerk. Dat de koorden van de doodskist, die op een kanonaffuit was geplaatst, door vier regeringsleden en vier generaals werden vastgehouden. Hoe de menigte langs de weg de tranen niet langer kon bedwingen bij het zien van ’s konings lievelingspaard, dat met gebogen hoofd het leed van een heel volk deelde.
Winkeletalages werden uitkijkposten, de spoorwegbrug over het kanaal veranderde in een tribune. De mensen hingen in de bomen, aan straatlantaarns, uit de ramen; ze zaten op de daken van de gebouwen, op auto’s en trams en klampten zich vast aan kranen; ze vielen flauw van honger, emotie of vermoeidheid. Politieagenten werden onder de voet gelopen, rijkswachters te paard moesten verscheidene keren tussenbeide komen. Er waren meer dan 1500 bloemstukken en rouwkransen afgeleverd en langs het parcours waren naar schatting 400 fotografen en evenveel journalisten aanwezig.
Op het kerkplein voor Sint-Goedele kon het publiek de rouwdienst volgen, die werd opgedragen door kardinaal Van Roey in aanwezigheid van alle gekroonde hoofden van Europa. Een groep Franse bergbeklimmers had toen al de Belgische en de Franse driekleur, getooid met een rouwband, op de top van de Pic Albert I doen wapperen, die de vallei van Chamonix beheerste. Aan de voet van de Cima Brenta Alta zou nog in 1934 een gedenkplaat onthuld worden, en in Brazilië – aan de top van de Maria Comprida – werd er een andere vastgeklonken. Op het strand van Copacabana herinnerde een klein standbeeld aan de grote koning die hier elke ochtend kwam baden tijdens zijn verblijf in Rio de Janeiro in 1920. Het Belgische hof stelde een rouwperiode van zes maanden in, er waren officiële rouwperiodes van twee weken tot een maand in Nederland, Groot-Brittannië, Frankrijk, Denemarken, Noorwegen, Albanië, Italië, Roemenië, Japan en Brazilië. Op de dag van de begrafenis gingen alle Franse schouwburgen dicht. Ook het Duitse leger bood zijn condoleances aan en in Berlijn werd een plechtigheid gehouden in aanwezigheid van Hermann Göring, gekleed als generaal van de infanterie.

En terwijl zij aten, nam hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: ‘Neemt, dit is mijn lichaam.’ En hij nam een beker, sprak de dankzegging uit, en gaf hun die, en zij dronken allen daaruit. En hij zeide tot hen: ‘Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt.’

Salomé fluisterde: ‘En ik droomde dat zo het aardse bestaan moest eindigen van de moedigste man van zijn generatie. En ik hoorde mijn vader iets zeggen over Gods Voorzienigheid die de koning tot het slacht-offer bestemt, dat de zonden van de wereld wegneemt en alles nieuw maakt. En dat de aarde weer jong zou worden, en vruchtbaar. En dat hij een maagd had gezien die danste op leven en dood. En dat alleen haar offerdood – of die van een godgelijke koning – de kringloop kon waarborgen en het groeien en bloeien van mens, dier en gewas. “Laat hun bloed de dorre grond tot leven wekken en dans, Salomé, dans! Is het niet alles een kwestie van evenwicht? Luister dan… Luister naar de oudste ritmen van het leven op deze aarde en bewonder je kracht, je hartstochtelijke overgave. Steeds opzwepender werkt je lichaam toe naar een laaiend hoogtepunt dat het nieuwe tijdperk doet aanbreken. Hoc est corpus meum! Le roi est mort! Vive le roi! En dans, Salomé! Dans!”’

Time Magazine schreef dat in de meeste landen de soeverein nooit stierf. Edward van Wales zou de koning van Engeland zijn op het moment dat de dood van koning George bekend werd. Maar Albert was koning van de Belgen, niet van België, en de Belgen zouden geen koning hebben tot op het ogenblik dat de nieuwe vorst trouw aan de Grondwet had gezworen. En deze ceremonie werd uitgesteld tot na de begrafenis van Albert.
Zeven dagen lang hadden de Belgen geen koning, maar konden ze zich verheugen in hun toekomstige koning. Net als zijn vader had kroonprins Leopold een harde leerschool doorlopen. Net als zijn vader hield hij van machines en bestuurde hij zijn eigen wagen. Maar zijn hobby’s waren veiliger: vissen op forel en vlinders verzamelen.
In 1926 was hij getrouwd met de donkerharige prinses Astrid van Zweden, na een romance die de schrijvers van damesromans hartkloppingen had bezorgd. Om niet op te vallen reisde de prins al eens in een derdeklas treincoupé en droeg hij zelf zijn valiezen. De mensen dachten dat hij de nieuwe butler was. Brusselse huisvrouwen herinnerden zich nog hoe prinses Astrid, nadat hun dochter Charlotte was geboren, ook zelf haar kinderwagen duwde op de schaduwrijke Avenue Louise.
Hij was nog geen drieëndertig, deze prins die de jongste koning van Europa zou zijn, toen hij in zijn bleekgrijs fluwelen pak, vanuit Zwitserland en na een nacht lang rijden, eindelijk Brussel bereikte. Hij werd er al meteen geconfronteerd met ernstige problemen. De communisten dreigden met een algemene staking en de Vlaamse separatisten werden steeds luidruchtiger en leunden ook steeds sterker aan bij het nazisme. De Belgische verdedigingswerken konden een vergelijking met de gloednieuwe Franse linies van staal en beton niet doorstaan, maar al wat de jonge Leopold de afgelopen week kon horen was het geluid van de kanonnen, die om het half uur werden afgevuurd, in rouw om de dood van zijn vader.

Geen opmerkingen: